ECLI:NL:RBMNE:2024:1901

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 maart 2024
Publicatiedatum
28 maart 2024
Zaaknummer
C/16/555387 / HL ZA 23-118
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Brussel I-bis VerordeningArt. 32 lid 1 onder a Brussel I-bis Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding zaak wegens litispendentie tussen Nederlandse en Italiaanse procedures

In deze civiele zaak tussen een Nederlandse BV en een Italiaanse vennootschap staat de vraag centraal welke procedure als eerste is aangebracht, relevant voor de toepassing van het litispendentiebeginsel onder artikel 29 Brussel Pro I-bis Verordening.

De Nederlandse procedure werd gestart met een dagvaarding van 7 februari 2023, terwijl de Italiaanse procedure op 20 december 2022 bij de rechtbank Rome werd geregistreerd. Hoewel de dagvaarding in Italië aanvankelijk niet correct was betekend, is deze betekening later op 5 oktober 2023 door een Nederlandse deurwaarder hersteld.

De rechtbank oordeelt dat hiermee voldaan is aan de vereisten van artikel 32 lid 1 Brussel Pro I-bis Verordening, waardoor de Italiaanse procedure als eerst aanhangig wordt beschouwd. Omdat de rechtbank Rome zich nog niet bevoegd heeft verklaard, wordt de zaak aangehouden totdat deze bevoegdheid is vastgesteld.

De rechtbank verwijst de zaak naar de parkeerrol met een termijn tot 2 oktober 2024 voor de meest gerede partij om zich uit te laten over de bevoegdheid van de rechtbank Rome. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden totdat de bevoegdheid van de rechtbank Rome is vastgesteld.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Lelystad
zaaknummer / rolnummer: C/16/555387 / HL ZA 23-118
Vonnis van 20 maart 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. F.W. Aartsen te Harderwijk,
tegen
vennootschap naar buitenlands recht
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats 2] (Italië),
gedaagde,
advocaat mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in incident van 9 augustus 2023
  • de akte overlegging producties van [eiseres] met producties 20 tot en met 33
  • de spreekaantekeningen van [eiseres]
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de Nederlandse rechtbank bevoegd is, omdat zowel bij de Nederlandse als bij de Italiaanse rechtbank vorderingen aanhangig zijn tussen dezelfde partijen met hetzelfde onderwerp en die op dezelfde oorzaak berusten (Hof van Justitie EG 9 december 2003, C-116/02, JUR 2003, pag. I-14693, NJ 2007/151 (
Gasser/MISAT)). Die vraag is weliswaar al in het incidentele vonnis van
9 augustus 2023 beantwoord, maar moet opnieuw beoordeeld worden vanwege na dit incidentele vonnis gebleken nieuwe feiten.
2.2.
Als er twee gerechtelijke procedures tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp en met dezelfde oorzaak in verschillende landen aanhangig zijn, moet de rechter waar de zaak het laatst is aangebracht de zaak aanhouden totdat over de bevoegdheid van de andere rechter is beslist. Dit staat in artikel 29 van Pro de Brussel I
bis-Verordening. In artikel 32 lid 1 onder Pro a van de Brussel 1
bis-Verordening staat dat een gerechtelijke procedure aanhangig is vanaf het moment dat de dagvaarding bij de rechtbank is ingediend, op - kort gezegd - voorwaarde dat eiser de dagvaarding correct aan gedaagde heeft betekend.
2.3.
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag welke procedure het eerst aanhangig is gemaakt. De procedure in Nederland bij deze rechtbank is aanhangig gemaakt met de dagvaarding van 7 februari 2023. Ten aanzien van de Italiaanse procedure overweegt de rechtbank het volgende. Vast staat dat op 20 december 2022 de zaak bij de rechtbank Rome is aangebracht en dat de rechter-commissaris op 17 januari 2023 een mondelinge behandeling heeft bepaald op 12 juli 2023 (vgl. productie 2 bij conclusie van antwoord). De procedure is bij de rechtbank Rome geregistreerd onder rolnummer 76116/2022. Niet in geschil is dat een eerste mondelinge behandeling bij de Rechtbank Rome heeft plaatsgevonden op 20 juli 2023 en dat de rechtbank Rome [gedaagde] de mogelijkheid heeft gegeven om de dagvaarding opnieuw aan [eiseres] te betekenen om de betekening van de dagvaarding ‘te hernieuwen’. Dit blijkt uit (een vertaling van) het proces-verbaal van de comparitie op 20 juli 2023 bij de rechtbank Rome dat voor het eerst in de hoofdzaak is ingebracht (productie 7 bij conclusie van antwoord). [gedaagde] heeft gebruik gemaakt van de aan haar geboden herstelmogelijkheid. Zij heeft de dagvaarding en het proces-verbaal van de comparitie bij UNEP afgegeven en verzocht om deze via een Nederlandse deurwaarder te laten betekenen. Die dagvaarding voor de Italiaanse procedure is op 5 oktober 2023 aan [eiseres] betekend. Dit feit heeft zich na het incidentele vonnis voorgedaan.
2.4. De vraag moet worden beantwoord of is voldaan aan de voorwaarde in artikel 32 lid 1 onder Pro a Brussel I
bis-Verordening dat de dagvaarding correct aan gedaagde moest worden betekend. Dit ziet op de voorwaarde ‘mits….doen” in artikel 29 Brussel Pro 1
bis-Verordening: “
Voor de toepassing van deze afdeling wordt een zaak geacht te zijn aangebracht bij een gerecht: a) op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of kennisgeving van een stuk aan de verweerder moest doen”.
2.5.
De rechtbank beantwoordt de voorgaande vraag bevestigend. Met de betekening door de Nederlandse deurwaarder van de Italiaanse dagvaarding aan [eiseres] is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de voorwaarde van artikel 32 van Pro de Verordening. [gedaagde] heeft daarmee immers (“vervolgens”) voldaan aan wat zij met het oog op de betekening of kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen in de zin van artikel 32 lid 1 van Pro de Verordening. Daarmee is de eerdere incorrecte betekening gecorrigeerd. Dat betekent dat de procedure in Italië eerder aanhangig is gemaakt.
2.6.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de rechtbank te Rome zich al bevoegd heeft verklaard. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Dat de rechtbank zich impliciet bevoegd heeft verklaard door de zaak aan te houden, zoals [gedaagde] betoogt, is niet komen vast te staan, te meer nu ook [eiseres] nog geen mogelijkheid heeft gehad om zich in de Italiaanse procedure uit te laten over de bevoegdheid van de rechtbank Rome. De rechtbank zal de zaak aanhouden tot het moment waarop de bevoegdheid van de rechtbank Rome vaststaat.
2.7.
De rechtbank zal elke verdere beslissing aanhouden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
houdt de zaak aan tot het moment waarop de bevoegdheid van de rechtbank Rome vaststaat,
3.2.
verwijst de zaak naar de parkeerrol van
2 oktober 2024opdat de meest gerede partij zich uitlaat over de vraag of de bevoegdheid van de rechtbank te Rome vaststaat,
3.3.
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Jaarsveld en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2024.