Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:1874

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
27 maart 2024
Zaaknummer
C/16/559775 / FA RK 23-1276
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 ParticipatiewetArt. 62a ParticipatiewetBoek 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling verhaalsbijdrage bijstand voor onderhoud minderjarige

De gemeente Utrecht vordert een verhaalsbijdrage van de man voor de bijstandsuitkering die de vrouw ontvangt sinds december 2022, vanwege hun gezamenlijke onderhoudsplicht voor hun minderjarige kind. De man heeft verweer gevoerd, maar heeft geen financiële gegevens verstrekt om de behoefte van het kind of zijn draagkracht te onderbouwen.

De rechtbank beoordeelt het verzoek op basis van artikel 62 onder Pro b jo artikel 62a van de Participatiewet en de maatstaven van het Burgerlijk Wetboek. Gezien het ontbreken van voldoende inkomensgegevens en het feit dat de vrouw als bijstandsgerechtigde geen draagkracht heeft, stelt de rechtbank de behoefte van het kind vast op een netto bedrag van €422 per maand, gebaseerd op een verondersteld gezinsinkomen van maximaal €3.000.

De draagkracht van de man wordt geacht volledig te zijn, omdat hij geen inzicht heeft gegeven in zijn uitgaven of aflossingen. De rechtbank wijst het verzoek van de gemeente toe en stelt de verhaalsbijdrage vast op €422 per maand vanaf 1 april 2023. Tevens wordt een aflossingsregeling van €211 per maand vastgesteld voor de achterstand. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden met hoger beroep worden aangevochten.

Uitkomst: De rechtbank stelt de verhaalsbijdrage van de man vast op €422 per maand vanaf 1 april 2023 met een aflossingsregeling voor de achterstand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/559775 / FA RK 23-1276
verhaal bijstand
Beschikking van 2 april 2024
in de zaak van:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE GEMEENTE UTRECHT,
zetelend in Utrecht,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde [gemachtigde] ,
tegen
[de man],
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. N. El Hadje.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de gemeente, met producties, ontvangen op 23 juni 2023;
  • het verweerschrift van de man, ontvangen op 8 september 2023;
  • de reactie van de gemeente op het verweerschrift van 19 februari 2024;
  • het bericht van mr. El Hadje (F9-formulier) van 4 maart 2024.
1.2.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 5 maart 2024. Hierbij waren aanwezig namens de gemeente mr. [gemachtigde] en de advocaat van de man (laatstgenoemde via videoverbinding).

2.Waar gaat de procedure over?

2.1.
De man heeft een relatie gehad met mevrouw [de vrouw] (hierna te noemen: de vrouw).
2.2.
Uit deze relatie is
[minderjarige]geboren op [geboortedatum] 2018. De man en de vrouw worden hierna ook genoemd: de ouders.
2.3.
De vrouw ontvangt sinds 22 december 2022 een bijstandsuitkering van de gemeente.
2.4.
Bij brieven van 20 februari en 17 maart 2023 heeft de gemeente de man laten weten dat de vrouw een bijstandsuitkering krijgt en dat de gemeente onderzoekt of hij een bijdrage kan betalen in de kosten daarvan. In dat kader heeft de gemeente financiële informatie opgevraagd bij de man.
2.5.
Bij brief van 7 april 2023 heeft de gemeente aan de man geschreven dat de verhaalsbijdrage per 1 april 2023 is vastgesteld op € 870,- per maand.
2.6.
De gemeente heeft in het inleidende verzoekschrift aan de rechtbank verzocht te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man:
  • een verhaalsbijdrage van € 870,- per maand moet betalen vanaf 1 april 2023;
  • ter zake van de reeds gemaakte kosten van bijstand vanaf de hiervoor genoemde datum een bedrag van € 435,- per maand, zal moeten betalen tot de achterstand in de betalingen van € 1.981,- geheel zal zijn voldaan;
  • indien hij in gebreke mocht blijven het vastgestelde achterstallige bedrag te voldoen, terstond de alsdan resterende hoofdsom ineens aan de gemeente verschuldigd is.
2.7.
De gemeente heeft haar verzoek met betrekking tot de invorderingskosten ingetrokken, zodat de rechtbank op dat punt geen beslissing zal nemen.
2.8.
De man heeft verweer gevoerd.

3.Beoordeling

Grondslag verzoek

3.1.
Niet in geschil is dat de man onderhoudsplichtig is jegens [minderjarige] . Verder is niet in geschil dat er nooit een onderhoudsbijdrage is vastgesteld en dat de man zijn onderhoudsplicht jegens [minderjarige] tot nu toe niet dan wel niet behoorlijk is nagekomen. Gelet op hetgeen in de stukken en op de zitting is gesteld gaat de rechtbank ervan uit dat het verzoek van de gemeente is gebaseerd op artikel 62 onder Pro b jo artikel 62a van de Participatiewet. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de maatstaven van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Daartoe zal de rechtbank hierna achtereenvolgens bespreken: de behoefte van [minderjarige] en de mate waarin de man en de vrouw daarin kunnen bijdragen (draagkracht).
Behoefte
3.2.
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt - behalve van de leeftijd van het kind - af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. De rechtbank gaat er met de gemeente vanuit dat de ouders in 2019 uit elkaar zijn gegaan.
3.3.
Bij gebrek aan gegevens is de gemeente kennelijk uitgegaan van het bedrag uit de zogeheten Nibud-tabel (2023) dat hoort bij een netto gezinsinkomen van € 6.000,- of meer. Daarbij hoort een tabelbedrag van € 870,-.
3.4.
De rechtbank begrijpt dit standpunt van de gemeente en het had inderdaad op de weg van de man gelegen zijn standpunt dat de behoefte te hoog is vastgesteld met financiële gegevens te onderbouwen. Dat neemt niet weg dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de ouders in 2019 ook maar in de buurt kwamen van een gezinsinkomen van € 6.000,- netto. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw, die volgens de gemeente kennelijk geen verdiencapaciteit heeft, destijds wel inkomen had. Wat de man betreft heeft de gemeente in haar reactie op het verweerschrift een staatje met inkomensgegevens overgelegd. Voor zover daaruit iets kan worden afgeleid is dat dat de man een inkomen uit loondienst had in de maanden februari tot en met juni 2019 van gemiddeld € 1.328,- per maand (de rechtbank neemt aan: netto). Weliswaar is vast komen te staan dat de man in 2019 ook een eigen onderneming is gestart en de gemeente beschikt niet over inkomensgegevens dienaangaande omdat de man die niet heeft verstrekt, maar dat rechtvaardigt nog niet van het maximale tabelbedrag uit te gaan, mede omdat de onderneming destijds in de opstartfase was. De rechtbank acht het redelijk om in een geval als dit, waarin eenvoudigweg onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om de behoefte vast te stellen, maar waarin geen enkele aanwijzing is voor een hoog inkomen, uit te gaan van een netto gezinsinkomen van maximaal € 3.000,-. Daarbij hoort dan een tabelbedrag (2019) van € 380,-, dat is geïndexeerd naar 2023 € 422,-.
Draagkracht vrouw
3.5.
Conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie zal de draagkracht van de vrouw als bijstandsgerechtigde verzorgende ouder op nihil worden gesteld.
Draagkracht man
3.6.
Volgens de gemeente heeft de man bij gebrek aan gegevens voldoende draagkracht om volledig te voorzien in de behoefte van [minderjarige] . De man betoogt dat er geen rekening is gehouden met zijn daadwerkelijke uitgaven en aflossingen, maar de man heeft geen enkel inzicht gegeven in zijn financiële situatie zodat aan dit betoog voorbij zal worden gegaan.
Conclusie
3.7.
Gezien het voorgaande zal de man zijn volledige draagkracht moeten aanwenden om te voorzien in de behoefte van [minderjarige] van € 422,- per maand.
Aflossing achterstand
3.8.
De gemeente heeft om een aflossingsregeling verzocht voor de opgelopen achterstand in de verschuldigde verhaalsbijdrage. Deze zal gezien het voorgaande worden toegewezen, waarbij de maandtermijnen naar evenredigheid zijn verminderd.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.9.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
stelt de door de man verschuldigde verhaalsbijdrage vanaf 1 april 2023 vast op € 422,- per maand;
4.2.
bepaalt dat de man de ontstane achterstand moet aflossen in bedragen van € 211,- per maand totdat de achterstand in betalingen geheel zal zijn voldaan;
4.3.
veroordeelt de man in geval van niet tijdige betaling van hetgeen hij aan de gemeente verschuldigd is tot betaling ineens van de alsdan resterende hoofdsom;
4.4.
verklaart deze beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.H.L. Beckers, rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
M.B.
Tegen deze beschikking kan door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.