Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de conclusie van antwoord,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Mevrouw [A] leed in 2021 overstromingsschade aan haar camping en had een opstalverzekering bij [gedaagde]. Voor de schadevaststelling schakelde [gedaagde] een expert in, maar [A] was ontevreden en schakelde een contra-expert, [eiser], in. Er ontstond verschil van inzicht over de schade, waarna een arbiter de totale schade vaststelde op €461.115,88. [A] cedeerde haar vordering voor de kosten van de contra-expertise aan [eiser].
[eiser] stuurde drie facturen aan [gedaagde], waarvan de eerste twee werden betaald. De derde factuur van ruim €40.000 werd betwist wegens buitensporige kosten. De rechtbank beoordeelde de redelijkheid van de kosten aan de hand van de dubbele redelijkheidstoets uit artikel 7:959 BW Pro, waarbij zowel de noodzaak als de omvang van de kosten moet worden getoetst.
De rechtbank oordeelde dat het redelijk was dat [eiser] werd ingeschakeld en werkzaamheden verrichtte, maar dat het aantal locatiebezoeken (32 keer) en de daarmee gemoeide reistijd (tegen een hoog uurtarief) niet volledig noodzakelijk waren. Daarom werd 90 uur reistijd in mindering gebracht. De redelijke uren werden vastgesteld op 200, waarvan reeds 117,9 uur was betaald. De resterende 82,1 uur werd toegewezen tegen het uurtarief, wat resulteerde in een vergoeding van €11.904,50 plus wettelijke rente vanaf de dagvaarding. De vordering voor buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens ontbreken van verzuim. Ten slotte werden de proceskosten gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De verzekeraar moet een deel van de contra-expertisekosten vergoeden, buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.