ECLI:NL:RBMNE:2024:1182
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning vastgesteld op €357.000
De heffingsambtenaar van de gemeente heeft de WOZ-waarde van een tussenwoning uit 1997 vastgesteld op €357.000 per 1 januari 2022, welke waarde is gebruikt als grondslag voor de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2023. Eiser, eigenaar van de woning, betwist deze waarde en vordert een verlaging naar €325.000. De rechtbank heeft het beroep op 15 februari 2024 behandeld en de waarde van de heffingsambtenaar beoordeeld aan de hand van een taxatiematrix waarin vergelijkbare woningen in dezelfde plaats zijn meegenomen.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is, mede doordat de referentiewoningen vergelijkbaar zijn en de verschillen in objectkenmerken zijn meegenomen. Het beroep van eiser faalt ook omdat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt; er is slechts één woning genoemd met een lagere WOZ-waarde en de verschillen tussen de woningen zijn niet verwaarloosbaar.
Een door eiser overgelegd taxatierapport ter onderbouwing van een lagere waarde wordt niet inhoudelijk beoordeeld omdat de heffingsambtenaar zijn bewijslast heeft voldaan. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de WOZ-waarde gehandhaafd blijft en het griffierecht niet wordt teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €357.000 wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd.