ECLI:NL:RBMNE:2023:944

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 maart 2023
Publicatiedatum
6 maart 2023
Zaaknummer
UTR 22/529
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:25 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belanghebbende en machtiging in tariefbesluit voertuigen

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep tegen een besluit van de RDW over het in rekening brengen van tarieven voor inschrijving en identificatie van voertuigen van een derde partij, hier aangeduid als belanghebbende.

Car Import Service B.V. (eiseres) heeft het beroep ingesteld, maar de rechtbank constateert dat zij geen belanghebbende is bij het besluit en ook niet heeft aangetoond dat zij namens de belanghebbende optreedt. Er is geen machtiging overgelegd en uit verklaringen van eiseres en haar gemachtigde blijkt dat zij niet weten wie de belanghebbende is.

De rechtbank heeft de belanghebbende zelf uitgenodigd voor de zitting, maar deze is niet verschenen. Gezien het ontbreken van een rechtsgeldig belang verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank weigert bijstand of vertegenwoordiging door de gemachtigde van eiseres op grond van artikel 8:25 Awb Pro en heeft eiseres en de belanghebbende in de gelegenheid gesteld een andere gemachtigde aan te wijzen, wat niet is gebeurd.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter A.A.M. Elzakkers op 3 maart 2023.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belanghebbende en machtiging.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/529

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2023 in de zaak tussen

Car Import Service B.V., uit Utrecht, eiseres,

en

de directie van de RDW (verweerder)

(gemachtigde: mr. J. Choufoer).

Inleiding

1. Deze zaak gaat over het besluit om voor de inschrijving en identificatie van verschillende voertuigen van [A] een tarief in rekening te brengen. [A] heeft bezwaar tegen dit besluit ingesteld.
2. Verweerder heeft het bezwaar op 28 januari 2016 niet-ontvankelijk verklaard.
3. Op 10 juni 2020 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen. Hierin is het bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.
4. Eiseres is tegen dit besluit in beroep gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Dat heeft eiseres gedaan, omdat zij dacht dat het bestreden besluit onder een judiciële lus viel. De Afdeling heeft bij uitspraak van 19 januari 2022 [1] echter geoordeeld dat de judiciële lus niet voor het bestreden besluit geldt. De Afdeling heeft zich daarom onbevoegd verklaard en het hoger beroepschrift doorgestuurd naar de rechtbank om verder te behandelen.
5. De rechtbank heeft het beroep op 16 augustus 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [B] , zijn toenmalige gemachtigde [C] en de gemachtigde van verweerder.
6. Bij beslissing van 12 december 2022 heeft de rechtbank bijstand of vertegenwoordiging door de gemachtigde van eiseres/ [A] , [C] , geweigerd op grond van artikel 8:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Ook zijn eiseres en [A] toen in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen voor de verdere procedure. Eiseres en [A] hebben hier geen gebruik van gemaakt.
7. De rechtbank heeft het beroep verder op zitting behandeld op 28 februari 2023. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [B] en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank stelt vast dat het besluit op bezwaar ziet op tarieven die [A] heeft moeten betalen voor zijn voertuigen. Het beroep is echter ingesteld door eiseres. Niet is gebleken dat eiseres belanghebbende is bij dit besluit op bezwaar. Ook is niet gebleken dat eiseres dit beroep namens [A] heeft ingesteld. Dit staat immers niet in het beroepschrift zelf en ook is er geen machtiging overgelegd. Bovendien blijkt uit wat eiseres zelf en de toenmalige gemachtigde, die het beroepschrift heeft ingediend, op de eerste zitting hebben verklaard dat zij niet weten wie [A] is. De rechtbank heeft vervolgens [A] zelf ook nog aangeschreven en uitgenodigd voor de zitting, maar daarop is [A] niet verschenen. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.