ECLI:NL:RBMNE:2023:844
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking exploitatievergunning wegens overtreding voorschriften en gedeeltelijke overdracht
Eiseres exploiteert een zalenverhuurcentrum en vroeg in 2015 een exploitatievergunning aan. De burgemeester weigerde aanvankelijk vanwege een negatief advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) over een zakelijk samenwerkingsverband met een bedrijf dat strafbare feiten zou hebben gepleegd. Na een tweede advies in 2016 verleende de burgemeester de vergunning met specifieke voorschriften.
In 2019 trok de burgemeester de vergunning in wegens overtreding van voorschrift 1 (verbod op samenwerking met bepaalde personen) en voorschrift 5 (bijhouden van een actueel personeelsregister), en vanwege een vermeende gedeeltelijke overdracht van de exploitatie aan een derde. Eiseres maakte bezwaar en stelde onder meer dat het dienstverband van haar vertegenwoordiger bij het andere bedrijf geen zakelijk samenwerkingsverband vormde en dat de verhuur van een zaal geen overdracht was.
De rechtbank oordeelde dat het dienstverband wel onder het verbod van voorschrift 1 valt, maar dat eiseres er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat dit niet het geval was bij vergunningverlening. Wel was voorschrift 5 overtreden omdat het personeelsregister niet actueel was. Ook was sprake van een gedeeltelijke overdracht van de exploitatie aan een derde, wat strijdig is met de Horecaverordening. De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de intrekking ook op andere gronden kon worden gebaseerd. De burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: De intrekking van de exploitatievergunning wordt bevestigd ondanks vernietiging van het besluit op bezwaar wegens onduidelijkheid over het dienstverband.