ECLI:NL:RBMNE:2023:7750

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 november 2023
Publicatiedatum
12 augustus 2024
Zaaknummer
10483628 \ UC EXPL 23-2999
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering boete wegens vermeende te late betaling achterstallig loon na vaststellingsovereenkomst

Tussen eiser en gedaagde bestond een arbeidsovereenkomst die is beëindigd via een vaststellingsovereenkomst (VSO). In deze VSO is bepaald dat de werkgever binnen zeven werkdagen na ondertekening het achterstallig loon over een specifieke periode zou betalen. Tevens is een boeteclausule opgenomen voor niet-nakoming.

Eiser stelt dat de VSO op 27 september 2022 door beide partijen is ondertekend en dat de betaling uiterlijk 6 oktober 2022 had moeten plaatsvinden. De betaling vond echter plaats op 7 oktober 2022, waarna eiser aanspraak maakte op de boete en bijkomende kosten.

Gedaagde betwist dat de VSO op 27 september is ondertekend en wijst op een e-mail waarin wordt aangekondigd dat de ondertekening op 29 september zou plaatsvinden. De ondertekende VSO is op 30 september per e-mail aan eiser verzonden en de betaling op 7 oktober 2022 vond daarmee binnen de overeengekomen termijn plaats.

De kantonrechter volgt deze lezing en wijst de vorderingen van eiser af. Tevens wordt eiser veroordeeld in de proceskosten en voorwaardelijk in de nakosten.

Uitkomst: De vordering tot boete wegens vermeende te late betaling wordt afgewezen omdat betaling binnen de overeengekomen termijn heeft plaatsgevonden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10483628 UC EXPL 23-2999 AP/1183
Vonnis van 8 november 2023
inzake
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [eiser] ,
eisende partij,
gemachtigde: Juristu Incassodiensten B.V.,
tegen:
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. A.N. Jansen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
- de akte uitlating producties van eisende partij.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
Tussen [eiser] en [gedaagde] heeft een arbeidsovereenkomst bestaan. Partijen zijn ter beëindiging van deze arbeidsovereenkomst een vaststellingsovereenkomst overeengekomen.
In de vaststellingsovereenkomst staat dat de arbeidsovereenkomst per 1 november 2022 wordt beëindigd. Daarnaast is opgenomen de bepaling:
“Na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst door beide partijen zal werkgever binnen 7 werkdagen het achterstallig loon over de periode 12 juli 2022 t/m 30 september 2022 voldoen”. In de vaststellingsovereenkomst is ook een boeteclausule opgenomen: bij niet-nakoming of overtreding van de bedingen uit de overeenkomst verbeurt de overtredende partij een boete van € 1.000,00, vermeerderd met € 250,00 per dag dat de overtreding voortduurt.
2.2.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst op 27 september 2022 door beide partijen is ondertekend. Het achterstallig loon had daarom volgens hem uiterlijk 6 oktober 2022 moeten worden betaald. Dat is echter een dag later, op 7 oktober 2022 gebeurd en daarom maakt hij nu aanspraak op de boete van € 1.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente, advocaatkosten (€ 381,15) en buitengerechtelijke incassokosten (€ 151,39), met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.3.
[gedaagde] betwist de vordering en stelt dat zij tijdig betaald heeft. Zij verwijst daarvoor naar de e-mail van [A] van 27 september 2022, waarin staat:
“Goedemorgen,
Zie bijgevoegd de VSO.
Indien akkoord graag getekend retour sturen.
Ben zelf donderdag a.s. pas weer op de zaak dan kan ik onze kant tekenen en retour sturen.
Zodra dit gebeurt is zal ik een loonstrook opstellen voor de periode van achterstallig loon en deze binnen 7 dagen
zoals ook vermeld in de VSO uitbetalen.”
2.4.
Op 30 september 2022 heeft [gedaagde] de door hem ondertekende vaststellingsovereenkomst per e-mail aan [eiser] gezonden. Er is op 7 oktober 2022 betaald en dat ligt binnen de periode van 7 werkdagen na 29 september 2022.

3.De beoordeling

3.1.
De kantonrechter kan kort zijn. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat betaling diende te volgen binnen zeven werkdagen na ondertekening van de overeenkomst door beide partijen. [eiser] heeft de overeenkomst op 27 september 2022 en dezelfde dag per e-mail aan [gedaagde] gestuurd. [eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] de overeenkomst vervolgens ook op 27 september 2022 heeft ondertekend, maar dat blijkt nergens uit. [gedaagde] heeft dat ook gemotiveerd betwist en een e-mail overgelegd waaruit blijkt dat hij heeft aangekondigd dat hij de overeenkomst op donderdag 29 september 2022 zou ondertekenen, omdat hij op dat moment pas weer op kantoor zou zijn. Op 30 september 2022 heeft [gedaagde] die ondertekende overeenkomst per e-mail aan [eiser] verstuurd, wat de lezing van [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter ondersteund. [gedaagde] heeft vervolgens op 7 oktober 2022 betaald, wat uitgaande van de datum 29 september 2022 op tijd is. [eiser] heeft dit tijdspad niet voldoende weerlegd of duidelijk gemaakt waarom ervan zou moeten worden uitgegaan dat [gedaagde] de overeenkomst op 27 september 2022 heeft ondertekend. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.
3.2.
De kantonrechter overweegt dat partijen zich in de stukken uitgebreid hebben uitgelaten over het tussen hen bestaande arbeidsgeschil dat uiteindelijk tot de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft geleid. Omdat deze argumenten geen verandering brengen in het oordeel over de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst (waarmee zij hun geschil hebben beëindigd) zal de kantonrechter die argumenten verder onbesproken laten.
3.3.
[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de kant van [gedaagde] begroot op € 398,00 aan salaris gemachtigde. [eiser] zal daarnaast voorwaardelijk worden veroordeeld in de nakosten, zoals in het onderstaande weergegeven.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 398,00 aan salaris gemachtigde;
4.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
veroordeelt [eiser] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 99,50 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 november 2023.