Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
Rechtbank Midden-Nederland
De advocaat [eiser] vorderde betaling van twee facturen ter waarde van €11.843,70 voor juridische werkzaamheden verricht voor [gedaagde sub 1] c.s. in procedures tegen [C]. De eerste twee facturen waren al betaald, maar de laatste twee bleven onbetaald. [gedaagde sub 1] c.s. stelde dat slechts een vaste vergoeding van €9.500 was overeengekomen voor werkzaamheden in een kort geding, en dat hij niets meer verschuldigd was.
De kantonrechter oordeelde dat de advocaat onvoldoende schriftelijke bevestiging had overgelegd van de gemaakte afspraken, zoals vereist volgens de gedragsregels van de Orde van Advocaten. Mondelinge afspraken met dochters van [gedaagde sub 1] c.s. werden niet als bindend erkend, mede omdat geen volmacht was overgelegd. De advocaat kon niet aantonen dat er een opdracht was voor de extra werkzaamheden die de onbetaalde facturen betroffen.
Ook een e-mail over een betalingsregeling werd niet gezien als erkenning van de schuld door [gedaagde sub 1] c.s. De vordering werd daarom afgewezen en de advocaat werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan [gedaagde sub 1] c.s.
Uitkomst: De vordering tot betaling van onbetaalde facturen door de advocaat wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van de overeenkomst.