ECLI:NL:RBMNE:2023:7533
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betalingsverplichting en opschortingsrecht bij overeenkomst van opdracht voor coronatests
Tijdens de coronapandemie werkten eiseres en gedaagde samen bij het afnemen en analyseren van coronatests. Eiseres voerde werkzaamheden uit in het kader van het overheidsprogramma 'testenvoorjereis', waarbij gedaagde de tests leverde en betaalde. Gedaagde stopte echter met betalingen aan eiseres, met het argument dat zij haar betalingsverplichting mocht opschorten zolang zij zelf niet door een derde partij, [bedrijf], was betaald.
De kantonrechter stelde vast dat tussen eiseres en gedaagde een overeenkomst van opdracht bestond en dat gedaagde onvoldoende had onderbouwd dat zij haar betalingsverplichting mocht opschorten. Er was geen bewijs dat eiseres een overeenkomst met [bedrijf] had gesloten, noch dat gedaagde voorafgaand toestemming had gevraagd om werkzaamheden uit te besteden. Ook bleek uit correspondentie dat [bedrijf] een overeenkomst met gedaagde had, maar niet met eiseres.
De kantonrechter wees de vordering van eiseres tot betaling van een bedrag van €10.901,26 (inclusief incassokosten) toe, evenals de wettelijke handelsrente en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en al het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, incassokosten en rente aan eiseres.