Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna: verdachte.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 22 december 2023 de strafzaak tegen de verdachte, secretaris van stichting [medeverdachte 1], verdacht van valsheid in geschrift en witwassen. De verdenkingen waren afkomstig uit twee onderzoeken: Steenbrasem, gericht op valsheid in (leen)overeenkomsten en witwassen, en Brest, gericht op valsheid in een brief aan de parlementaire ondervragingscommissie ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen (POCOB).
In het onderzoek Brest draaide het om de vermeende valsheid van een brief van de stichting aan de POCOB, waarin werd gesteld dat de stichting niet beschikte over bepaalde door de FIOD in beslag genomen documenten. De rechtbank stelde vast dat verdachte niet op de hoogte was van de teruggaaf van deze documenten aan de stichting, waardoor het vereiste opzet op valsheid ontbrak. Ook voor de overige vorderingen ontbrak wettig en overtuigend bewijs.
In het onderzoek Steenbrasem werden leningsovereenkomsten tussen de stichting en verdachte als valsheid betwist, evenals het witwassen van contante en giraal gestorte bedragen. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond dat de leningsovereenkomsten vals waren en dat de contante stortingen plausibel verklaard werden door verdachte. Hierdoor kon het vermoeden van witwassen niet worden bevestigd.
De rechtbank verklaarde alle ten laste gelegde feiten niet bewezen en sprak verdachte vrij van alle strafbare feiten onder beide parketnummers.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten wegens onvoldoende bewijs en gebrek aan opzet.