ECLI:NL:RBMNE:2023:658
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning WW-uitkering na onduidelijkheid over voortzetting tijdelijk dienstverband
Eiser trad op 1 juni 2021 in dienst voor bepaalde tijd tot 31 december 2021. Na afloop vroeg hij per 1 januari 2022 een WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd toegekend door het UWV. Werkgever maakte bezwaar omdat eiser het dienstverband zelf zou hebben opgezegd. Het UWV verklaarde het bezwaar gegrond en trok de WW-uitkering in, stellende dat eiser verwijtbaar werkloos was.
Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 27 januari 2023 bleek dat de werkgever niet uiterlijk een maand voor het einde van het dienstverband schriftelijk had geïnformeerd over voortzetting, zoals vereist volgens artikel 7:668 BW Pro. Hierdoor was het voor eiser onduidelijk of het contract werd verlengd, wat het verwijtbare karakter van de werkloosheid wegneemt.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was en in strijd met het motiveringsbeginsel uit artikel 7:12 Awb Pro. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de toekenning van de WW-uitkering gehandhaafd. Het UWV werd tevens veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de WW-uitkering wordt gehandhaafd.