Op 28 oktober 2022 woedde er een brand op een boot te Urk. Verdachte was kort voor de brand enkele minuten op de boot aanwezig geweest. De officier van justitie stelde dat verdachte opzettelijk brand had gesticht en eiste een taakstraf. Verdachte ontkende dit en verklaarde slechts uit nieuwsgierigheid de boot te hebben betreden.
De rechtbank nam kennis van telefoonberichten van verdachte na de brand en verklaringen van getuigen die verdachte in verband brachten met de brand. Desondanks oordeelde de rechtbank dat het bewijs onvoldoende was om opzet wettig en overtuigend vast te stellen. Forensisch onderzoek kon de oorzaak van de brand niet met zekerheid bepalen vanwege de vernietigende kracht van het vuur.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastelegging en hief het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken en de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan indienen.