Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna: verdachte.
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BESLAG
10.BENADEELDE PARTIJ
€ 15.000,00 immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Omdat een deel van de materiële schade toekomstige schade betreft heeft de advocaat van de benadeelde partij gevraagd om de vordering voor dat deel, te weten € 15.200, - niet ontvankelijk te verklaren.
niet-ontvankelijk te verklaren en de vordering met betrekking tot de immateriële schade te matigen. Ten aanzien van het materiële deel acht de verdediging het causale verband tussen de studievertraging en de ten laste gelegde feiten niet aan de orde. De studievertraging kan immers niet (in zijn geheel) worden toegeschreven aan de gevolgen van de tenlastegelegde feiten.
11.VORDERING TENUITVOERLEGGING
12.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
13.BESLISSING
- 1 Computer (G3139385, G3139385);
- 1 Simkaart van zaktelefoon (G3139373);
- 1 Telefoontoestel (G3139380);
- 1 Telefoontoestel G3139383);
- 1 Telefoontoestel G3139378);
- 1 Telefoontoestel (G3139365);
- 1 Telefoontoestel (G3139366);
- 1 Computer (G3139370);
- 1 Computer (G3139377);
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 12.600,00;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2022 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;