ECLI:NL:RBMNE:2023:6093
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van afpersing en diefstal
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 27 juni 2023 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €720,-. Deze vordering is gebaseerd op een eerdere veroordeling van veroordeelde voor afpersing en diefstal gepleegd op 20 oktober 2020, waarbij een bedrag van €2.200,- werd verkregen van de benadeelde.
De officier van justitie baseerde de vordering mede op de verklaring van een mededader tijdens een zitting op 14 december 2021, waarin werd verklaard dat veroordeelde €720,- van het totaalbedrag heeft meegenomen. De verdediging betoogde bewijsuitsluiting van dit proces-verbaal en pleitte voor vrijspraak, maar de rechtbank verwierp dit standpunt.
De rechtbank oordeelde dat het verkorte proces-verbaal bruikbaar is als bewijsgrondslag voor de ontnemingsvordering en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €720,-. Er zijn geen kosten aangetoond die in mindering konden worden gebracht. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 28 dagen.
De beslissing is genomen op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en werd uitgesproken op 11 juli 2023 door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €720 aan de staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.