In deze civiele zaak vorderen Eisers een verbod tegen de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om persoonsgegevens te verwerken die zorgaanbieders aanleveren op grond van artikel 4.2 lid 4 van de Regeling geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg. Deze gegevens betreffen onder meer HoNOS+ vragenlijsten die gebruikt worden voor het ijken van een algoritme dat zorgvraagtypering bepaalt, een instrument voor bekostiging van ggz-zorg.
De rechtbank beoordeelt eerst de ontvankelijkheid en het spoedeisend belang van Eisers. Ondanks dat sommige gegevens al zijn aangeleverd, is het belang gegeven omdat niet alle zorgaanbieders hebben geleverd en de verwerking nog voortduurt. Eisers hebben voldoende belang bij toetsing van het beleid en de verwerking.
De rechtbank gaat vervolgens inhoudelijk in op de vraag of de gegevens persoonsgegevens zijn, of het medisch beroepsgeheim wordt geschonden, en of de verwerking in strijd is met het doelbindingsbeginsel, noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank concludeert dat de gegevens als persoonsgegevens moeten worden beschouwd, dat de wettelijke verplichting de geheimhoudingsplicht doorbreekt, en dat de verwerking een legitiem doel dient binnen de wettelijke taak van de NZa. Eisers maken onvoldoende aannemelijk dat de verwerking disproportioneel of onnodig is.
Ook wordt geoordeeld dat de verwerking rechtmatig is op grond van lidstatelijk recht en dat het verbod op verwerking van gezondheidsgegevens niet evident wordt geschonden. De informatieverplichting jegens betrokkenen is niet evident geschonden omdat de NZa niet weet wie de betrokkenen zijn. De incidentele vordering wordt daarom afgewezen en Eisers worden veroordeeld in de proceskosten.