De zaak betreft een kort geding tussen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en een asielzoeker met een verblijfsvergunning die woonruimte aangeboden kreeg door het COA, maar deze weigerde. Het COA stelde dat de weigering het recht op opvang in het asielzoekerscentrum (AZC) beëindigde en vorderde ontruiming van de opvanglocatie.
De asielzoeker voerde aan dat de aangeboden woonruimte niet geschikt was vanwege het ontbreken van een aparte slaapkamer en zijn psychische klachten. Het COA liet een Sociaal Medisch Advies (SMA) uitvoeren waaruit bleek dat er geen noodzaak was voor speciale aanpassingen of locatievereisten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het COA redelijke criteria hanteerde en de aangeboden woning passend was.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de weigering van de woonruimte het recht op opvang beëindigde en dat de asielzoeker zonder recht of titel in het AZC verbleef. De gevorderde ontruiming werd daarom toegewezen. De asielzoeker werd veroordeeld tot ontruiming binnen drie dagen en tot betaling van de proceskosten.