ECLI:NL:RBMNE:2023:5624
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde vrijstaande woning
Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning, gelegen aan een adres in een woonplaats, met een waardepeildatum van 1 januari 2021 en een vastgestelde waarde van €1.163.000,-. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar en gebruikte een taxatiematrix met vergelijkbare referentiewoningen om de waarde te onderbouwen.
Tijdens de zitting erkende de heffingsambtenaar een inconsistentie in de waardering van de inpandige garage, waarna de rechtbank uitging van een aangepaste waarde van €1.184.000,-. De rechtbank oordeelde dat de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren, ondanks enkele verschillen in bouwjaar en perceelgrootte, en dat de heffingsambtenaar deze verschillen adequaat had gecorrigeerd.
Eiser voerde verder aan dat de oppervlakte van de woning onjuist was vastgesteld en dat onvoldoende rekening was gehouden met de dijkenvrijstelling en gedateerde voorzieningen. De rechtbank vond echter dat de oppervlakte correct was bepaald op basis van recente meetgegevens, dat de dijkenvrijstelling adequaat was toegelicht en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd voor de stelling van gedateerde voorzieningen.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €1.163.000,- wordt bevestigd.