ECLI:NL:RBMNE:2023:5622
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde vrijstaande woning ongegrond verklaard
Eiser betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning uit 1900, gelegen aan een adres in een woonplaats, en stelde dat de waarde niet hoger kon zijn dan € 598.000,-. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op € 828.000,- per 1 januari 2021, welke waarde ook als heffingsmaatstaf voor de OZB werd gehanteerd.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie vergelijkbare vrijstaande woningen met recente verkoopprijzen. Hierbij werden correcties toegepast voor verschillen in kwaliteit, ligging en gebruiksoppervlak. De rechtbank oordeelde dat deze onderbouwing voldoende was en dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
Eiser voerde onder meer aan dat een referentiewoning niet vergelijkbaar was en dat onvoldoende rekening was gehouden met bouwkundige gebreken, isolatie en onderhoudstoestand. De rechtbank verwierp deze bezwaren, onder meer omdat de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen aannemelijk was en de toegepaste correcties in de taxatiematrix adequaat waren.
Het door eiser overgelegde taxatierapport met een lagere waarde werd niet gevolgd, omdat dit rapport referentiewoningen gebruikte die te ver van de waardepeildatum waren verkocht en niet voldeed aan de eisen van de Wet WOZ. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees terugbetaling van griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 828.000,- is ongegrond verklaard.