De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 26 juli 2023 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van verkrachting van zijn toenmalige echtgenote op 21 augustus 2019 in hun woning. De tenlastelegging betrof onder meer het gebruik van geweld en bedreiging om seksuele handelingen af te dwingen. De aangeefster had geluidsopnames gemaakt waarop te horen was dat zij tijdens de seks aangaf dat zij het niet wilde en dat het pijn deed.
De officier van justitie achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op basis van de aangifte en de geluidsopnames. De verdediging betwistte de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster en stelde dat er sprake was van consensuele ruwe seks en rollenspellen. De authenticiteit van de opname werd niet betwist, wel de interpretatie.
De rechtbank overwoog dat de verklaring van de aangeefster in de context van een gespannen relatie en gedeeld woonadres moest worden beoordeeld. Gelet op de niet geheel onaannemelijke verklaring van verdachte achtte de rechtbank niet bewezen dat verdachte wist dat de seks tegen de wil van aangeefster was. De geluiden dat zij stop moest zeggen en het niet wilde, waren onvoldoende om dwang wettig en overtuigend aan te tonen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van verkrachting. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en veroordeeld in de kosten van verdachte, die tot op heden nihil waren. Het vonnis werd gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, en mrs. A.J.P. Schotman en J.H.C. van Ginhoven, rechters.