De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 26 juli 2023 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van aanranding van twee personen op of omstreeks 20 juli 2019 te Houten. De tenlastelegging betrof het met geweld of bedreiging dwingen tot ontuchtige handelingen, waaronder betasten en aftrekken van de geslachtsdelen van de benadeelden.
De officier van justitie achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte vanwege onbetrouwbaarheid van de verklaringen en gebrek aan steunbewijs. De rechtbank vond de verklaringen van de benadeelden betrouwbaar en onderling ondersteunend, maar concludeerde dat niet is bewezen dat verdachte de handelingen onder geweld of bedreiging heeft verricht.
De rechtbank oordeelde dat de uitingen van de benadeelden niet ondubbelzinnig aangaven dat zij de handelingen niet wilden ondergaan en dat de bedreiging pas na de handelingen zou zijn geuit, waardoor het vereiste geweld of feitelijkheid ontbrak. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide feiten.
De benadeelden vorderden immateriële schadevergoeding, maar werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak. De rechtbank veroordeelde hen in de kosten van de verdediging, die tot op heden nihil zijn begroot.