ECLI:NL:RBMNE:2023:4148

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 juli 2023
Publicatiedatum
8 augustus 2023
Zaaknummer
16.291621.21
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen oplichting

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 29 juni 2023 de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van oplichting.

De officier van justitie en de verdediging verzochten beiden om afwijzing van de ontnemingsvordering. De rechtbank oordeelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd met de reeds aan de benadeelde partij toegekende schadevergoeding van €4.850. Hierdoor resteert geen voordeel dat ontneming rechtvaardigt.

Op grond van artikel 36e lid 8 Sr wordt het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op nihil. De vordering tot oplegging van een betalingsverplichting wordt daarom afgewezen. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer en uitgesproken op 13 juli 2023.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen en het bedrag wordt vastgesteld op nihil.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/291621-21 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 juni 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen veroordeelde en mr B. Hartman, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.

2.BEOORDELING VAN DE VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt om de vordering tot ontneming af te wijzen.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt om de vordering tot ontneming af te wijzen. Uit de aard van de feiten kan niet worden vastgesteld dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
2.3
Het oordeel van de rechtbank
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 13 juli 2023, voor zover relevant, veroordeeld voor het medeplegen van oplichting. De rechtbank heeft bij het vonnis de vordering van de benadeelde partij (voor de materiële schade) toegewezen tot een bedrag van € 4.850, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Niet is gebleken dat veroordeelde meer wederrechtelijk voordeel heeft verkregen dan de rechtbank aan de benadeelde partij heeft toegewezen.
Op grond van artikel 36e lid 8 Sr worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. Toepassing van deze regeling betekent dat per saldo geen wederrechtelijk verkregen voordeel meer overblijft. Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal daarom op nihil worden vastgesteld.
De vordering tot het opleggen van een betalingsverplichting zal om bovenstaande redenen worden afgewezen.

3.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

4.BESLISSING

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op nihil;
- wijst af de vordering van het Openbaar Ministerie tot het opleggen van een betalingsverplichting ter ontneming van door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck. voorzitter, mrs. A.M.M. Lemmen en B. Vis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Wolters, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 juli 2023.
De griffier, de jongste rechter en de oudste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.