ECLI:NL:RBMNE:2023:4032

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 augustus 2023
Publicatiedatum
2 augustus 2023
Zaaknummer
UTR 23/2365
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking besluit WW-uitkering door UWV

Verzoekster kreeg aanvankelijk geen WW-uitkering van het UWV omdat zij niet aan de wekeneis zou voldoen. Tegen dit besluit maakte zij bezwaar en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Het UWV trok vervolgens het primaire besluit in en kende verzoekster met terugwerkende kracht per 15 mei 2023 een WW-uitkering toe.

Naar aanleiding hiervan trok verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht zij het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De voorzieningenrechter gaf het UWV de gelegenheid om te reageren, maar het UWV had geen inhoudelijk commentaar.

Op grond van artikel 8:75a van de Awb kan de voorzieningenrechter bij intrekking van een verzoek om voorlopige voorziening wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan de proceskosten aan de verzoeker toewijzen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk gegrond was en veroordeelde het UWV tot betaling van € 837,- aan proceskosten, gebaseerd op de kosten van rechtsbijstand. Tevens wees de voorzieningenrechter erop dat het griffierecht van € 50,- door het UWV vergoed kan worden.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter R.C. Moed op 3 augustus 2023 en is onherroepelijk, omdat hoger beroep of verzet niet openstaat.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van € 837,- aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2365

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 augustus 2023 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder.

Procesverloop

Met het besluit van 25 mei 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv besloten dat verzoekster geen WW-uitkering krijgt omdat ze niet voldoet aan de wekeneis.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Met het besluit van 21 juni 2023 heeft het Uwv het primaire besluit ingetrokken en in plaats daarvan besloten dat verzoekster per 15 mei 2023 een WW-uitkering krijgt, omdat zij wel aan de wekeneis voldoet.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Het Uwv heeft de rechtbank meegedeeld dat zij geen inhoudelijk commentaar heeft.

Overwegingen

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Met het nieuwe besluit van 21 juni 2023 is het Uwv tegemoet gekomen aan het bezwaar van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe en veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1).
De voorzieningenrechter wijst erop dat het Uwv op grond van artikel 8:82, zesde lid, van de Awb het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- kan vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het Uwv wenden.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.