Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[eiser sub 1] ,
[eiser sub 2],
1.De procedure
2.Waar gaat deze zaak over?
3.De beoordeling
€ 1.016,00
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers en gedaagde sloten in 2015 een koopovereenkomst met een voorkeursrecht voor tien jaar. In 2022 boden eisers de appartementsrechten te koop aan gedaagde aan, die aanvankelijk niet kocht. Later stelde gedaagde dat eisers de objecten aan een derde hadden verkocht zonder hem eerst aan te bieden, waardoor een boete van € 50.000 per object zou zijn verschuldigd.
Gedaagde legde conservatoir beslag op de objecten en eisers vorderden opheffing daarvan. De voorzieningenrechter oordeelde dat het beslag conservatoir was en niet leveringsbeslag. De rechter stelde dat het aan eisers was om aannemelijk te maken dat de vordering ondeugdelijk was. Gedaagde baseerde zijn vordering op een tweedehands verklaring en een oncontroleerbare WhatsApp-lijst, zonder directe controle bij eisers.
De rechter vond de vordering van gedaagde niet aannemelijk en oordeelde dat het beslag vexatoir en prematuur was. Het belang van eisers bij opheffing woog zwaarder dan het belang van gedaagde bij handhaving. Daarom werd het beslag opgeheven en werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
Uitkomst: Het conservatoir beslag wordt opgeheven omdat de vordering niet aannemelijk is en het beslag vexatoir en prematuur is.