Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
mr. E. Wiersma, en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw en namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht.
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJEN
- kledingschade (€ 248,-)
- ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 1.147,-)
- revalidatiedaggeldvergoeding (€ 2.608,-)
- kosten [naam schade-expertisebureau] (€ 1.815,-)
- reiskosten familiebezoeken ziekenhuis/revalidatiecentrum (€ 246,48).
- verlies aan verdienvermogen
- huishoudelijke hulp
- zelfredzaamheid.
Dit totaalbedrag bestaat uit een bedrag van € 56,12 als vergoeding voor materiële schade, een bedrag van € 10.000,- als vergoeding voor immateriële schade en een bedrag van € 2.500,- als vergoeding voor nog te onderbouwen schade.
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
gevangenisstraf van 3 (drie) maanden;
- wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 206.064,48;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2021 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 206.064,48 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 365 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- wijst de vordering van benadeelde partij [benadeelde] af met betrekking tot de gevorderde vergoeding van € 56,12 voor materiële schade;
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dit deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.