ECLI:NL:RBMNE:2023:3808

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juni 2023
Publicatiedatum
25 juli 2023
Zaaknummer
23/1636
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken bezwaarprocedure

Verzoeker diende een verzoek om voorlopige voorziening in tegen een besluit van het College van procureurs-generaal van 2 februari 2023, waarin inzage in persoonsgegevens werd verleend. De voorzieningenrechter vroeg verzoeker of er bezwaar was gemaakt tegen dit besluit, omdat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen als er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Verzoeker gaf aan geen bezwaar te hebben gemaakt, waardoor de voorzieningenrechter het verzoek afwees.

Verzoeker stelde dat het verzoek om voorlopige voorziening verband hield met een andere beroepsprocedure (UTR 23/292) tegen een besluit van 13 september 2022. De rechtbank oordeelde dat het beroep in die procedure prematuur was ingediend en niet-ontvankelijk was verklaard omdat het bezwaar nog niet was afgehandeld. De voorzieningenrechter beoordeelde ook dit verzoek en concludeerde dat er geen aanleiding was om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoeker gaf aan dat het college nog niet op zijn bezwaar had beslist en dat de verwerking van zijn persoonsgegevens onmiddellijk moest stoppen. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker niet had toegelicht welke voorlopige voorziening gewenst was en waarom spoedige rechterlijke tussenkomst noodzakelijk was. Het verzoek werd als kennelijk ongegrond beschouwd omdat het vooral gericht was op het bespoedigen van de bezwaarprocedure, waarvoor andere middelen beschikbaar zijn.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en maakte duidelijk dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet mogelijk is.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure is tegen het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLANDZittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1636

uitspraak van voorzieningenrechter van 1 juni 2023 in de zaak tussen

[verzoeker] , [plaats] , verzoeker,

en

het College van procureurs-generaal, verweerder,

gemachtigde: mr. M.D. Groenewegen.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend op 18 april 2023 tegen het besluit van het college van 2 februari 2023.

Overwegingen

De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoek wordt afgewezen. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit waarom dat is.
Verzoeker heeft bij zijn verzoekschrift een besluit van het college van 2 februari 2023 gevoegd. In dit besluit heeft het college het verzoek van verzoeker om inzage in zijn persoonsgegevens ingewilligd. De voorzieningenrechter heeft verzoeker in een brief van 21 april 2023 gevraagd of hij bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit. De voorzieningenrechter kan namelijk alleen een voorlopige voorziening treffen als er een bezwaar of beroepsprocedure loopt tegen een besluit. Dat volgt uit artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als er geen bezwaar of beroep is ingesteld tegen een besluit, dan kan de voorzieningenrechter ook geen voorlopige voorziening treffen.
In zijn brief van 2 mei 2023 heeft verzoeker geantwoord dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 2 februari 2023. De voorzieningenrechter kan dus ook geen voorlopige voorziening treffen.
In zijn verzoekschrift stelt verzoeker verder dat de voorlopige voorziening hoort bij de beroepsprocedure UTR 23/292. De procedure UTR 23/292 gaat over een heel ander verzoek om inzage van persoonsgegevens bij het college. De voorzieningenrechter heeft vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid ook beoordeeld of er in die beroepsprocedure aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De zaak UTR 23/292 gaat over een beroep van eiser dat gericht is tegen een besluit van 13 september 2022. Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft op 19 oktober 2022 beroep bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft in haar uitspraak van vandaag geoordeeld dat het beroep prematuur (dat wil zeggen: te vroeg) is ingediend. Het college moet eerst nog op het bezwaar van eiser beslissen voordat eiser beroep kan instellen. Het beroep van eiser is daarom niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker kan met zijn verzoek om een voorlopige voorziening in die procedure dus ook niets meer bereiken.
Dat neemt niet weg dat er ook nog een bezwaarprocedure bij het college loopt tegen het besluit van 13 september 2022. De voorzieningenrechter heeft in zijn brief van 21 april 2023 aan verzoeker gevraagd om toe te lichten welke voorlopige voorziening er getroffen moet worden en wat het spoedeisende belang is. In zijn reactie van 2 mei 2023 heeft verzoeker gezegd dat het college nog steeds geen beslissing op zijn bezwaar heeft genomen. Hij is ervan overtuigd dat er persoonsgegevens van hem verwerkt worden en vindt dat dat onmiddellijk moet stoppen. Zonder tussenkomst van de rechter wordt verzoeker volgens hem niet serieus genomen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet heeft gezegd welke voorlopige voorziening de voorzieningenrechter zou moeten treffen in dit geval. Hij heeft ook niet toegelicht waarom hij de uitkomst van de bezwaarprocedure niet zou kunnen afwachten en waarom tussenkomst van de rechter nu direct nodig is. De voorzieningenrechter maakt uit de reactie van verzoeker op dat hij de bezwaarprocedure nu vooral wil bespoedigen. Een verzoek om een voorlopige voorziening is daarvoor echter niet het geëigende middel. Als verzoeker dat wil, moet hij het college in gebreke stellen en eventueel daarna een beroep tegen het niet-tijdig beslissen bij de rechtbank indienen. Dat heeft hij niet gedaan.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen omdat het verzoek, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond is. [1]

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2023.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Awb.