Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter vanwege het niet uitstellen van een zitting op 6 juli 2023, terwijl verzoeker wegens een operatie niet aanwezig kon zijn. Tevens stelde verzoeker dat nieuwe stukken van de wederpartij niet konden worden besproken voorafgaand aan de zitting.
De rechter verweerde zich door te stellen dat de beslissing tot afwijzing van het uitstelverzoek een procesbeslissing is die in beginsel geen grond voor wraking oplevert. De rechtbank had meerdere alternatieve data aangeboden, maar verzoeker en zijn advocaat waren telkens verhinderd. Vanwege de spoedeisendheid van de ordemaatregelen moest de zitting op 6 juli plaatsvinden.
De wrakingskamer oordeelde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestaat en dat de motivering van de beslissing geen blijk geeft van vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard. De procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing.