ECLI:NL:RBMNE:2023:3555
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond: WOZ-waarde woning correct vastgesteld op €728.000
Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op 1 januari 2021 op €728.000 door de heffingsambtenaar van de gemeente. Hij stelde een lagere waarde van €695.000 voor. De rechtbank beoordeelde het beroep na behandeling op zitting waarbij beide partijen hun standpunten toelichtten.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen in dezelfde straat, recent verkocht en voldoende vergelijkbaar qua bouwjaar en uitstraling. De rechtbank vond deze referenties geschikt en de methodiek inzichtelijk, waarbij rekening is gehouden met verschillen tussen de woningen.
Eiser trok enkele bezwaarpunten in en voerde verder aan dat de correctie op KOUDVL-factoren onvoldoende was toegelicht en dat de woning in matige staat van onderhoud zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar vrij is in de gehanteerde correctiemethodiek en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de woning in slechte staat verkeert. Ook werd vastgesteld dat de door eiser genoemde referentiewoningen niet in de beroepsfase als referentie waren gebruikt.
Gelet op de onderbouwing en toelichting concludeerde de rechtbank dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €728.000 wordt ongegrond verklaard en de waarde wordt gehandhaafd.