Eiser, die sinds 1999 een WAO-uitkering ontvangt, betwist de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% die per 24 november 2019 is vastgesteld door verweerder. Eiser stelt dat hij volledig arbeidsongeschikt is vanwege ernstige lichamelijke en psychische klachten, waaronder PTSS en alcoholverslaving, en dat de beperkingen zijn onderschat.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid correct heeft vastgesteld op basis van medische en arbeidskundige rapporten van verzekeringsartsen. Deze rapporten zijn zorgvuldig opgesteld, bevatten geen tegenstrijdigheden en zijn begrijpelijk. De rechtbank kan zelf geen medische conclusies trekken en weegt het ontbreken van concrete medische onderbouwing van eiser mee.
De verzekeringsarts heeft rekening gehouden met zowel psychische als lichamelijke klachten en heeft beperkingen vastgesteld die passend zijn bij de voorgeschiedenis van eiser. De situatie van dakloosheid wordt niet als ziekte of gebrek beschouwd binnen het kader van de WAO. De rechtbank concludeert dat de vastgestelde beperkingen adequaat zijn en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd welke beperkingen ontbreken.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en blijft de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 35,96% gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.