In deze civiele zaak stond centraal de vraag van wie gedaagde de gehuurde kamer huurt. De gevoegde partij had de woning gekocht met het doel studenten te huisvesten, en sloot daarvoor een hoofdhuurovereenkomst met zijn echtgenote, die vervolgens onderhuurovereenkomsten met studenten sloot, waaronder gedaagde.
Eiser stelde dat hij verhuurder was van gedaagde op grond van een onderhuurovereenkomst, maar de kantonrechter oordeelde dat feitelijk en juridisch de huurovereenkomst tussen gedaagde en de gevoegde partij bestond. Dit bleek uit de feitelijke uitvoering, zoals betaling van huur aan de echtgenote van de gevoegde partij en het optreden van de gevoegde partij als verhuurder.
Daarom kon eiser geen vorderingen instellen op basis van de huurovereenkomst. De vorderingen werden afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten. De voeging van de gevoegde partij werd toegewezen zodat deze zijn eigen standpunt kon inbrengen.