Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
2.Waar gaat het in deze zaak over?
3.De beoordeling
Hij op 30 mei 2018 te Utrecht openlijk, te weten aan het [.] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [eiser] , welk geweld bestond uit meermalen (met kracht) slaan en trappen en schoppen tegen het hoofd, althans het lichaam van voornoemde [eiser] en (tengevolge waarvan voornoemde [eiser] op de grond is gevallen) en (vervolgens) (terwijl voornoemde op de grond lag) eenmaal of meermalen (met kracht) slaan en trappen tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [eiser] , terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm voor voornoemde [eiser] ten gevolge heeft gehad.”
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat hij heeft gevochten. Hij heeft een paar klappen gekregen en heeft ook een paar klappen teruggegeven. Daarnaast heeft hij [eiser] van achteren een veegtrap gegeven. [eiser] is gevallen op zijn elleboog. Verdachte heeft voorts verklaard dat het zou kunnen dat hij [eiser] nog een trap tegen zijn hoofd heeft gegeven, terwijl [eiser] op de grond lag. In hoger beroep is verdachte bij deze verklaring gebleven en heeft hij uitgelegd dat hij met een veegtrap bedoelt dat hij een trap heeft gegeven waardoor [eiser] op de grond is gevallen.
4.De beslissing
- € 17.381,- van het toegewezen bedrag, met ingang van 30 mei 2018;
- € 762,30 van het toegewezen bedrag, met ingang van 27 november 2020;