ECLI:NL:RBMNE:2023:2015
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een hoekwoning in Utrecht, vastgesteld op € 251.000,- per 1 januari 2021. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van € 220.000,- voor. Verweerder heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix waarin drie vergelijkbare woningen zijn opgenomen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De referentiewoningen liggen in dezelfde straat, zijn recent verkocht en vergelijkbaar qua bouwjaar en uitstraling. Verweerder heeft rekening gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, kwaliteit en onderhoudstoestand, wat blijkt uit de taxatiematrix. De prijs per m2 van de woning ligt aanzienlijk lager dan die van de referentiewoningen.
Eisers argumenten, waaronder gebreken aan de woning, een eerder compromis over het belastingjaar 2021, een betwisting van de procentuele waardestijging en gestegen renovatiekosten, worden door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank stelt dat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld op basis van actuele verkoopcijfers en dat renovatiekosten geen onderdeel zijn van de waardebepaling.
De rechtbank concludeert dat de waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van € 251.000,- wordt gehandhaafd.