ECLI:NL:RBMNE:2023:1892
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van vrijstaande woning
Eiser betwistte de door de heffingsambtenaar van de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning aan een adres in een woonplaats, vastgesteld op € 987.000 per waardepeildatum 1 januari 2021.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin vier vergelijkbare referentiewoningen werden gebruikt. De rechtbank oordeelde dat deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren qua type, bouwjaar en oppervlakte, en dat de indexering van verkoopprijzen adequaat was toegelicht.
Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onduidelijkheid over de gehanteerde grondstaffels, onvergelijkbaarheid van een referentiewoning vanwege een ander waardegebied, en onvoldoende rekening houden met de ondoelmatigheid van het perceel. De rechtbank verwierp deze gronden na nadere motivering en bevestigde dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de waardebepaling.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 987.000 is ongegrond verklaard.