ECLI:NL:RBMNE:2023:1890
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van appartement in Utrecht
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement in Utrecht, stellende dat de waarde te hoog was vastgesteld op €237.000, terwijl hij een waarde van maximaal €226.000 aanvoerde. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en onderbouwde dit met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met tien referentiewoningen in dezelfde wijk met vergelijkbare kenmerken.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De taxatiematrix toonde vergelijkbare woningen met recente verkoopprijzen die, na correcties voor verschillen in staat en voorzieningen, een hogere waarde per vierkante meter lieten zien dan de gehanteerde waarde van eiser. Hoewel één referentiewoning niet volledig was onderbouwd qua correcties, was dit onvoldoende om de vastgestelde waarde te verlagen.
Eiser voerde verder aan dat de gehanteerde indexering en de correcties voor KOUDVL-factoren onvoldoende inzichtelijk waren, maar de rechtbank vond dat de heffingsambtenaar deze aspecten voldoende had toegelicht. Ook de stelling dat de staat van de woning onder gemiddeld was, werd niet gevolgd omdat eiser geen concrete bewijsstukken had overgelegd.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter J.R. van Es-de Vries op 19 april 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €237.000 wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd.