ECLI:NL:RBMNE:2023:1679

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2023
Publicatiedatum
11 april 2023
Zaaknummer
UTR 23/137
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:38 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen wegens niet-betaling griffierecht

De Utrechtse Bomenstichting heeft beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Nadat het college het bezwaarbesluit had ingetrokken, trok verzoekster haar beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank stelde vast dat het griffierecht van €365,- niet tijdig was betaald. Ondanks herhaalde aanmaningen, waaronder een aangetekende brief die niet werd afgehaald, ontving de rechtbank het griffierecht niet. Verzoekster gaf geen geldige reden voor het niet betalen.

Op grond van artikel 8:41 Awb Pro is betaling van griffierecht verplicht om het beroep inhoudelijk te kunnen behandelen. De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot proceskostenveroordeling daarom kennelijk niet-ontvankelijk is en wees het verzoek af zonder inhoudelijke behandeling.

De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen op 24 maart 2023 te Utrecht. Verzoekster kan binnen zes weken een verzetschrift indienen tegen deze beslissing.

Uitkomst: Verzoek tot proceskostenveroordeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
Zaaknummer: UTR 23/137

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2023 in de zaak tussen

De Utrechtse Bomenstichting, te Utrecht, verzoekster,

(gemachtigde: drs. C. van Oosten)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 5 januari 2023.
Op 31 januari 2023 heeft verweerder het besluit genomen de beslissing op bezwaar van
5 januari 2023 in te trekken. Daarop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken met het verzoek verweerder te veroordelen voor de proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Verzoekster heeft namelijk het griffierecht niet (op tijd) betaald, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Iemand die in beroep gaat moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 365,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep of verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft verzoekster op 18 februari 2023 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoekster het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank. De aangetekend verzonden brief is door verzoekster niet afgehaald en aan de rechtbank geretourneerd. Vervolgens is deze brief, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 8:38 van Pro de Awb, aan verzoekster ter kennisneming per gewone post toegezonden. In deze brief is aangegeven dat de termijn uit de brief van 18 februari 2023 niet opnieuw aanvangt. Verzoekster heeft hierop gereageerd:
“U heeft mij een factuur gestuurd d.d. 28 februari j.l. Dit beroep is echter ingetrokken.”
5. De rechtbank kan opposant hierin niet volgen. Opposant vraagt namelijk om verweerder te veroordelen in de gemaakte proceskosten door middel van een uitspraak. Ook in dat geval is griffierecht verschuldigd.
6. De rechtbank heeft het bedrag niet (op tijd) ontvangen. Verzoekster heeft daar geen geldige reden voor gegeven.
7. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van Pro de Awb). Het verzoek zal niet inhoudelijk worden behandeld.
8. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2023.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.