ECLI:NL:RBMNE:2023:1672

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 maart 2023
Publicatiedatum
11 april 2023
Zaaknummer
UTR 22/1900-V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen afwijzing proceskostenvergoeding studiefinanciering

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van DUO van 16 maart 2022 waarin haar verzoek om studiefinanciering voor oktober tot en met december 2022 werd afgewezen. Na een brief van DUO waarin studiefinanciering werd toegekend, trok opposante haar beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank wees dit verzoek op 15 december 2022 af omdat DUO niet geheel of gedeeltelijk aan het verzoek tegemoet was gekomen.

Opposante ging in verzet tegen deze afwijzing en stelde dat het besluit onrechtmatig was omdat zij destijds niet over alle benodigde documenten beschikte. De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet kennelijk ongegrond was en dat de eerdere uitspraak daarom zonder zitting niet had mogen plaatsvinden. Hierdoor vervalt de uitspraak van 15 december 2022.

De rechtbank verklaart het verzet gegrond en zal het verzoek om proceskostenvergoeding nu inhoudelijk behandelen tijdens een zitting. Er is nog geen beslissing genomen over de vergoeding zelf. De uitspraak is gedaan door rechter Schaaf op 14 maart 2023 en de griffier was verhinderd te tekenen.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verder behandeld op een zitting.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1900-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2023 op het verzet van

[opposante] , te [woonplaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. G. Gabrelian).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) van 16 maart 2022. In dit besluit heeft DUO het verzoek van opposante om studiefinanciering voor de periode oktober 2022 tot en met december 2022 afgewezen.
Bij brief van 13 juli 2022 heeft DUO aan opposante medegedeeld dat aan haar studiefinanciering wordt toegekend voor de maanden oktober 2022 tot en met december 2022.
Naar aanleiding hiervan heeft opposante haar beroep ingetrokken met het verzoek om DUO te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
In de uitspraak van 15 december 2022 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.
Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 december 2022 het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen, omdat er geen sprake van is dat DUO geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan eiseres, zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). DUO heeft namelijk uitsluitend op basis van nieuwe documenten het verzoek alsnog toegekend.
Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb.
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar verzoek. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 15 december 2022 niet juist was.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 15 december 2022 niet juist. Opposante geeft hiervoor (samengevat) de volgende redenen: Volgens opposante is DUO weliswaar op basis van nieuwe stukken tot herziening gekomen, echter deze stukken waren in een eerder stadium nog niet beschikbaar voor opposante. Verweerder heeft het verzoek van opposante afgewezen op basis van het ontbreken van documenten die op dat moment nog niet in te dienen waren. Dit maakt het besluit van 16 maart 2022 onrechtmatig. Daarom stelt opposante wel recht te hebben op vergoeding van de proceskosten. Hierbij wordt verwezen naar een aantal uitspraken.
4. Gelet op dat wat opposante aanvoert in haar verzetschrift is de rechtbank van oordeel dat het verzoek niet kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, afgedaan had mogen worden. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 15 december 2022 vervalt. Het verzoek wordt nu verder behandeld door de rechtbank op een zitting. Opposante krijgt hierover nog bericht. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat dit nog niet direct betekent dat de rechtbank opposante gelijk zal geven met haar verzoek. Dat moet nog worden beoordeeld.
5. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposante met betrekking tot het verzet. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het verzoek om vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2023.
de griffier is verhinderd om de
uitspraak te ondertekenenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.