ECLI:NL:RBMNE:2023:1393
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning vastgesteld op €252.000
De heffingsambtenaar van de gemeente heeft de WOZ-waarde van een appartement vastgesteld op €252.000 per 1 januari 2021, welke als heffingsmaatstaf is gebruikt voor de onroerendezaakbelasting en rioolheffing. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €241.000 voor. Na bezwaar en een digitale zitting heeft de rechtbank de waarde van de heffingsambtenaar bevestigd.
De rechtbank overweegt dat de waarde is vastgesteld via de vergelijkingsmethode, waarbij drie referentiewoningen in dezelfde buurt en het complex zijn gebruikt. De taxatiematrix en toelichting tonen aan dat de gehanteerde waarde niet te hoog is, mede gelet op de gemiddelde prijs per vierkante meter van de referentiewoningen.
Eiser voerde aan dat de indexering van verkoopcijfers onvoldoende inzichtelijk was en dat onvoldoende rekening was gehouden met de staat van onderhoud en voorzieningen. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft gegeven in de indexering en dat de summiere reactie van eiser op verzoeken om onderhoudsinformatie onvoldoende is om de waarde te verlagen.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier A. Kasi op 5 april 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €252.000 wordt ongegrond verklaard.