Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGINGEN
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
de omstandigheden waaronder die zijn begaan
een gevangenisstraf van 20 maandenpassend en geboden is. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal hierop in mindering worden gebracht.
9.BENADEELDE PARTIJ
.
10.VORDERING TENUITVOERLEGGING
11.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 36f, 45, 47, 55, 57, 141, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en
- 2 en 10 van de Opiumwet;
12.BESLISSING
een gevangenisstraf van 20 maanden;
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 5.485,-;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2022 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde nietontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 5.485,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2022 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 62 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;