ECLI:NL:RBMNE:2023:1198
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van appartement in Utrecht
Eiser betwist de WOZ-waarde van zijn appartement in Utrecht, vastgesteld op €313.000 per 1 januari 2020, en stelt dat de waarde niet hoger mag zijn dan €289.000. De heffingsambtenaar handhaaft de waarde en onderbouwt dit met een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met drie vergelijkbare appartementen in dezelfde plaats.
De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De vergelijkingen met referentiewoningen, waaronder een appartement in hetzelfde gebouw, worden als voldoende vergelijkbaar beschouwd. De rechtbank oordeelt dat de ligging en andere kenmerken van de woning geen objectief waardedrukkend effect hebben dat niet al in de vergelijkingen is verwerkt.
Eiser voert verder aan dat WOZ-waardes in de straat sterk verschillen, maar de rechtbank stelt dat WOZ-waardes per jaar opnieuw worden vastgesteld op basis van verkoopcijfers en dat een vergelijking met WOZ-waardes van andere woningen onvoldoende nauwkeurig is. Ook is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de WOZ-waarde van €313.000. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €313.000 wordt ongegrond verklaard.