ECLI:NL:RBMNE:2023:1191
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en vergoeding griffierecht
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2020, die was vastgesteld op € 793.000,- en na bezwaar verlaagd naar € 756.000,-. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze waarde. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met vergelijkbare referentiewoningen en een taxatiematrix.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De referentiewoningen waren voldoende vergelijkbaar en de waardering per vierkante meter lag in lijn met deze woningen. Eiser voerde aan dat de waardestijging ten opzichte van voorgaande jaren te hoog was en dat de waarde in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, maar deze gronden werden verworpen.
De rechtbank wees erop dat de WOZ-waarde jaarlijks onafhankelijk wordt vastgesteld op basis van verkoopcijfers van vergelijkbare woningen rondom de waardepeildatum. De meerderheidsregel was niet van toepassing omdat de woningen die eiser noemde niet identiek waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar bepaalde dat het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser moest worden vergoed omdat in de uitspraak op bezwaar niet duidelijk was waarop de waardevermindering was gebaseerd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van het griffierecht aan eiser.