Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op haar aanvraag van 29 juni 2021 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder stelde dat de ingebrekestelling prematuur was, maar de rechtbank oordeelde dat eiseres terecht ingebreke heeft gesteld omdat verweerder haar op 25 mei 2022 informeerde dat tijdige beslissing niet mogelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat verweerder binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Gezien de complexiteit en het aantal aanvragen was een langere termijn aanvankelijk aangevraagd, maar de rechtbank stelde een vaste termijn van twaalf weken in soortgelijke zaken. In dit geval was die termijn al verstreken, waardoor de standaardtermijn van twee weken geldt.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding van de beslistermijn, met een maximum van €15.000. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €418,50 en het betaalde griffierecht van €50 aan eiseres.