Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de op 24 februari 2022 door [gedaagde] overgelegde productie;
2.De feiten
3. Het geschil
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een kort geding tussen een zorgorganisatie en een huurder met een psychische kwetsbaarheid die woonruimte huurt gekoppeld aan een begeleidingsovereenkomst. De zorgorganisatie heeft de begeleidingsovereenkomst opgezegd vanwege vermeend grensoverschrijdend en opruiend gedrag van de huurder, wat ook zou leiden tot het einde van de huurovereenkomst en daarmee tot een vordering tot ontruiming.
De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de begeleidingsovereenkomst onvoldoende is onderbouwd. De beschuldigingen zijn te algemeen en onvoldoende concreet gespecificeerd, terwijl de huurder de meeste gedragingen gemotiveerd heeft betwist. Er is geen overtuigend bewijs overgelegd zoals klachten, aangiftes of ander ondersteunend materiaal.
Verder is slechts één officiële waarschuwing gegeven, terwijl de toepasselijke voorwaarden herhaaldelijk aanspreken vereisen. Ook het belang van de huurder om dakloosheid te voorkomen weegt mee. De kantonrechter concludeert dat de zorgorganisatie niet in redelijkheid heeft kunnen opzeggen, waardoor de huurovereenkomst niet is geëindigd en de ontruimingsvordering wordt afgewezen.
De rechtbank benadrukt dat partijen zich moeten blijven inspannen voor passende woonruimte en zorg voor de huurder. De zorgorganisatie wordt veroordeeld in de proceskosten van de huurder.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat de opzegging van de begeleidingsovereenkomst niet rechtsgeldig is.