AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep inzake inzage politiegegevens en zorgmeldingen op grond van de Wet politiegegevens
Eiser verzocht op grond van artikel 25 vanPro de Wet politiegegevens (Wpg) inzage in politiegegevens en zorgmeldingen die over hem zijn gedaan, waaronder een zorgmelding van januari 2021 waarin hij als verward persoon werd aangemerkt. Verweerder, de korpschef van politie, wees het verzoek gedeeltelijk af en stelde een inzageprocedure in waarbij eiser en zijn gemachtigde inzage konden krijgen in de relevante registraties.
Eiser maakte bezwaar tegen de afwijzing en stelde dat hij niet verward is en dat de beschuldigingen stigmatiserend zijn. Hij wilde inzage in alle schriftelijke stukken ter onderbouwing van de zorgmeldingen en verzocht om een dwangsom bij niet-naleving. Tijdens de zitting bleek dat eiser en zijn gemachtigde reeds inzage hadden gehad, maar vanwege de omvang van het dossier was verdere inzage nodig. Verweerder beloofde een vervolgafspraak voor een onbeperkte inzage.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het inzageverzoek terecht als een verzoek op grond van artikel 25 WpgPro heeft aangemerkt en dat het beroep ongegrond is. De rechtbank wees het verzoek om een dwangsom af en bepaalde dat verweerder alsnog een besluit moet nemen over het later ingediende Wob-verzoek. De rechtbank kon niet toetsen of alle gevraagde gegevens in het inzagedossier aanwezig zijn omdat eiser geen toestemming gaf voor inzage door de rechtbank van deze gegevens.
Uitkomst: Het beroep tegen het gedeeltelijk afwijzen van het inzageverzoek wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen een vervolgafspraak te maken voor inzage.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3014
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S.G. Blasweiler),
en
de korpschef van politie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Maas).
Procesverloop
In het besluit van 15 juni 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om inzage in de politiegegevens en de zorgmeldingen die over hem gaan gedeeltelijk afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser en zijn gemachtigde hebben aanvullende gronden ingediend.
Verweerder heeft bij brief van 5 november 2021 daarop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 16 november 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Het verzoek van eiser
1. Eiser heeft in de brief van 25 mei 2021 verzocht om inzage in zijn politiegegevens op grond van artikel 25 vanPro de Wet politiegegevens (Wpg). Eiser heeft toegelicht dat een politieambtenaar op 15 januari 2021 een zorgmelding heeft gedaan bij de GGD regio Utrecht dat eiser een verward persoon zou zijn en hij ook gedragsproblemen zou hebben. De politieambtenaar zou die gedragsproblemen hebben afgeleid uit het feit dat eiser 14 keer achter elkaar met de politie zou hebben gebeld. Ook zou een bekende van eiser zich zorgen maken over eisers situatie. Eiser bestrijdt dat hij een verward persoon is en dat hij gedragsproblemen heeft. Hij wil daarom kennis kunnen nemen van allepolitiegegevens en schriftelijke documenten waaruit dat zou blijken. Meer in het bijzonder verzoekt eiser om inzage in de volgende gegevens:
de meldingen over de ruzie tussen eiser en zijn huisgenoot [A] ;
de 14 telefonische meldingen van eiser op het algemene nummer van de politie 0900 8844;
de meldingen van zijn vriend [B] , waarin zijn vriend zorgen heeft geuit over eiser;
de melding uit 2015/2016 gedaan bij het veiligheidshuis Utrecht in kader van het Top X overleg dat eiser verward is en die is doorgegeven aan de reclassering en alle wijkteams van de gemeente Amersfoort;
de melding van juli 2014 van de politie Groningen bij de zorginstelling dat eiser verward/overspannen/lastig is;
de melding uit 2010/2011 over huiselijk geweld van de politie Waddinxveen bij de zorginstelling.
Eiser heeft te kennen gegeven dat hij na de inzage zijn gegevens zo nodig wil wijzigen of laten verwijderen op grond van artikel 28 vanPro de Wpg.
Het bestreden besluit
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit het verzoek om inzage gedeeltelijk toegewezen. Verweerder merkt op dat de zorgmelding van de politie van 15 januari 2021 is vastgelegd met registratie PL0900-2021015667 en dat deze bestaat uit een brief aan de GGD en een mutatierapport met de volgende inhoud: ‘ Zorgmelding gemaakt over [eiser] bij de GGD. [eiser] is de laatste tijd weer veel in beeld bij de politie. Mogelijk dat hulpverlening hem kan helpen. Voor zover bekend was deze namelijk nog niet ingeschakeld. De ruzies in de woning brengen zorgen met zich mee en mogelijk speelt er wel meer dan dat. Kortom, zorgen om zijn gesteldheid en de situatie in de woning.’Verweerder wijst inzage in deze zorgmelding toe. Over de zorgmeldingen gedaan in de jaren 2010, 2011, 2014, 2015 en 2016 heeft verweerder in het systeem geen registraties aangetroffen. Zoals verweerder heeft bericht in het besluit van 20 april 2021 [1] over een eerdere inzageverzoek van eiser, wordt eiser in de gelegenheid gesteld om de registraties vanaf 24 april 2015 opnieuw in te zien. Bij die inzage zal ook de zorgmelding van 15 januari 2021 worden betrokken. In verband met de maatregelen rondom het Coronavirus heeft die inzage feitelijk nog niet plaatsgevonden.
De beroepsgronden
3. Eiser heeft in beroep zijn verzoek om inzage gehandhaafd en normaals toegelicht welke gegevens hij wil inzien. Eiser merkt op dat de tekst in het proces-verbaal waarnaar is verwezen, verschilt met de tekst in het mutatierapport vermeld in het bestreden besluit. De beschuldiging van de politie in de melding van 15 januari 2021 dat eiser ‘verward’ zou zijn, vindt hij ernstig, schokkend en stigmatiserend. Eiser bestrijdt dat hij verward is. Hij wil daarom inzage in alle schriftelijke stukken waarop de politie die beschuldiging baseert. Eiser verzoekt de rechtbank om verweerder een dwangsom op te leggen van € 400,- per dag met een maximum van € 40.000,- als de politie verzuimt om hem inzage te geven in de gevraagde stukken.
4. Bij brief van 2 september 2021 heeft eiser aangevoerd dat hij op 19 augustus 2021 inzage heeft gehad in zijn dossier, maar dat hij die heeft afgebroken, omdat het voor hem ondoenlijk was om een lijst met 198 telefoontjes en een dossier van 200 pagina’s door te nemen en over te schrijven. In aanvulling hierop heeft de gemachtigde bij brief van
4 november 2021 aangevoerd dat het ook voor hem ondoenlijk was om binnen twee uur 140 pagina’s mutaties en 300 belregistratie door te nemen en aantekeningen te maken. De gemachtigde heeft daarom ook verzocht om een hernieuwde inzage.
Verzoek om geheimhouding
5. Verweerder heeft de politiegegevens die eiser heeft ingezien aan de rechtbank overgelegd. Verweerder heeft met verwijzing naar artikel 8:29 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van deze gegevens. De rechtbank heeft eiser gewezen op het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken en eiser verzocht of hij de rechtbank toestemming verleent om kennis te nemen van deze stukken. Op zitting heeft eiser die toestemming niet verleend.
Het inzagedossier
6. De rechtbank stelt vast dat eiser en zijn gemachtigde op 19 augustus 2021 op het politiebureau inzage hebben gehad in de politieregistraties over de zorgmeldingen. Van dat inzagedossier heeft verweerder een inventarislijst overgelegd. Voor zover de politieregistraties niet zien op eiser, heeft verweerder deze geanonimiseerd [2] aan eiser ter inzage gegeven.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij die inzage ook de belregistraties van het Regionaal Service Centrum (RSC) heeft mogen betrekken. Dat volgt ook uit het besluit van 20 april 2021. Voor deze gecombineerde inzage stond twee uur gepland. Eiser is daarbij na 40 minuten wegegaan. Gemachtigde is langer gebleven, maar eiser noch zijn gemachtigde hebben de gegevens kunnen vinden over de zorgmeldingen waarnaar zij op zoek zijn. Verweerder heeft eiser en zijn gemachtigde tijdens hun inzage ook geen uitleg gegeven welke politieregistraties betrekking hebben op de gevraagde zorgmeldingen. In het verweerschrift en in de brief van 5 november 2021 heeft verweerder die toelichting alsnog gegeven. Omdat de geboden tijd voor de inzage op 19 augustus 2021 vanwege het omvangrijke dossier onvoldoende is geweest, heeft verweerder toegezegd, en dat op zitting bevestigd, dat voor eiser en zijn gemachtigde een vervolgafspraak zal worden gepland voor een hernieuwde inzage in de gevraagde registraties over de zorgmeldingen en de belregistraties en dat die inzage niet in tijdsduur zal worden beperkt. Eiser en zijn gemachtigde hebben op zitting verklaard van dat aanbod gebruik te willen maken. De rechtbank draagt verweerder daarom op eiser en zijn gemachtigde opnieuw inzage te geven op grond van artikel 25 vanPro de Wpg in de gevraagde mutaties over de zorgmeldingen en in de belregistraties. Eiser kan daarna zo nodig verzoeken om een wijziging of verwijdering van de politieregistraties op grond van artikel 28 vanPro de Wpg.
8. Nu eiser geen toestemming heeft gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, kan de rechtbank voor de beoordeling van het beroep over het onderhavige inzageverzoek niet controleren of alle door eiser gevraagde politieregistraties over de zorgmeldingen in het inzagedossier aanwezig zijn. Eiser zal dat zelf moeten doen bij de vervolgafspraak voor inzage in zijn dossier. De rechtbank overweegt met het oog op die nieuwe inzage, ter voorlichting aan eiser het volgende.
9. De zorgmelding van 15 januari 2021 is genummerd als 36 en 37 op de inventarislijst. Deze registratie bestaat uit een mutatie ‘overlast door verward/overspannen persoon (registratienummer 2021015667) en de zorgmelding zelf (registratienummer 2021018728). Eiser kan deze zorgmeldingen (nogmaals) inzien.
10. De mutatie waaruit blijkt dat eiser 14 maal gebeld heeft met het RSC is te vinden onder nummer 27 van de inventarislijst. Het betreft de mutatie ‘overlast door verward/overspannen persoon’ van 30 april 2020 met kenmerk PL0900-BHV-2020132032-1. Volgens verweerder blijkt ook uit het inzagedossier van het belregister van het RSC (regel 071, nummer 12542739 van 30 april 2020) dat eiser op die dag heeft gebeld naar 0900-8844 en dat hij heeft gezegd dat hij al 14 keer zou hebben gebeld. Uit genoemde mutatie zou blijken dat op 30 april 2020 twee politiemedewerkers naar de woning van eiser zijn gegaan in verband met zijn veelvuldig bellen naar 0900-8844. Eiser kan deze politieregistraties bij de nieuwe inzage controleren.
11. De informatie over de meldingen van eisers vriend [B] staat vermeld onder nummer 34 van de inventarislijst. Deze mutatie ‘burenruzie zonder vervolg’ met registratienummer 2021007290 is aangemaakt op 7 januari 2021, maar loopt door naar
9 januari 2021. Eiser kan controleren of dat klopt.
12. De meldingen uit 2015-2016 die over eiser zijn gedaan in het kader van project X heeft verweerder niet in het BHV-systeem aangetroffen. Op zitting heeft eiser gezegd dat het gaat om een melding van december 2015, gedaan door de wijkagent, en om een mutatie van 8 februari 2016. Eiser heeft het BHV-registratienummer van die melding en/of mutatie niet kunnen geven. Op de inventarislijst staan geen meldingen of mutaties met die datum. Voor de rechtbank is daarmee niet duidelijk geworden op welke datum deze zorgmelding zou zijn gedaan en aan welke zorginstelling dat is geweest. Eiser heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat in 2015-2016 over hem een melding is gedaan aan een zorginstelling. Verweerder heeft zich daarom voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat over de zorgmeldingen uit 2015/2016 geen politieregistraties aanwezig zijn.
13. De melding uit 2014 van de politie Groningen heeft verweerder evenmin in het BHV-systeem aangetroffen. Eiser heeft bij zijn beroepschrift een stuk overgelegd van het Steunpunt huiselijk geweld waarop een melding staat van 25 juli 2014 met politienummer 201408730. Op zitting is niet komen vast te staan of dit een melding is die onder dat (registratie)nummer in het BHV-systeem staat geregistreerd of dat het gaat om een aangifte die deel uitmaakt van het strafdossier dat is toegezonden naar het openbaar Ministerie (OM). In dat laatste geval valt deze melding niet meer onder de Wpg maar onder de reikwijdte van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Verweerder heeft in het verweerschrift en op zitting toegelicht dat een melding na vijf jaar niet meer in het systeem kan worden ingezien door de politieambtenaar (op straat), maar alleen kan worden geraadpleegd via de zogeheten poortwachter. Verweerder heeft over de melding uit 2014 navraag gedaan bij de poortwachter, maar die heeft onder het genoemde registratienummer geen melding gevonden. Uit de door eiser overgelegde stukken kan de rechtbank ook niet afleiden dat er in 2014 een zorgmelding over eiser is gedaan. Verweerder heeft zich daarom ook ten aanzien van de zorgmelding uit 2014 voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat daarvan geen politieregistraties aanwezig zijn.
14. Over de meldingen uit 2010-2011 van de politie over huiselijk geweld stelt verweerder zich op het standpunt dat die deels zijn betrokken bij de inzage van 2017 en deels vallen onder de Wjgs. Volgens verweerder heeft eiser via het OM reeds kennis kunnen nemen van zijn dossiers die onder de Wjsg vallen.
15. De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen dat er in 2010-2011 een zorgmelding over hem is gedaan, waaruit blijkt dat hij een verward persoon is en gedragsproblemen heeft. Dat kan de rechtbank ook niet afleiden uit de uitspraak van
17 februari 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage die eiser heeft overgelegd. [3] Die uitspraak ziet enkel op een huisverbod dat de burgemeester van de gemeente Waddinxveen met het besluit van 27 september 2010 aan eiser had opgelegd. Dat het zou gaan om een melding van de heer [C] , kan de rechtbank evenmin vaststellen. Verweerder heeft het inzageverzoek op dit punt terecht afgewezen.
Wob-verzoek
16. De gemachtigde van eiser heeft in zijn brief van 4 november 2011 aangevoerd dat eisers verzoek van 25 mei 2011 een verzoek om informatie bevat op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Volgens gemachtigde heeft eiser verweerder verzocht om alle schriftelijke informatie over hem als verward persoon te verstrekken als bedoeld in artikel 3 vanPro de Wob. Volgens gemachtigde heeft verweerder daarop ten onrechte niet beslist. Gemachtigde verzoekt verweerder om die informatie alsnog binnen zes weken te verstrekken op straffe van een dwangsom € 100,- per dag met een maximum van € 25.000,-. Gemachtigde heeft verweerder op 5 november 2021 in gebreke gesteld.
17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek van 25 mei 2021 terecht heeft aangemerkt als een verzoek om inzage op grond van artikel 25 vanPro de Wpg. Eiser heeft in zijn brief van 25 mei 2021 niet naar de Wob verwezen en hij heeft alleen verzocht om inzage in zijn eigen dossier of in zijn persoonsgegevens op grond van artikel 25 vanPro de Wpg. Verweerder heeft dit als een aanwijzing mogen zien dat eiser geen Wob-verzoek wilde indienen. Uit de aard en de inhoud van het verzoek, noch uit eisers uitlatingen, blijkt dat eiser een Wob-verzoek heeft willen indienen.
18. Nu eiser alsnog te kennen heeft gegeven een Wob-verzoek te willen doen, moet verweerder daarop alsnog een besluit nemen. De rechtbank bepaalt dat de beslistermijn daarvoor pas gaat lopen na de verzending van deze uitspraak.
Dwangsom
19. Voor het opleggen van een dwangsom zoals door eiser en gemachtigde verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding. Dit beroep beperkt zich tot het inzageverzoek op grond van artikel 25 vanPro de Wpg en verweerder heeft toegezegd dat met eiser hiervoor een vervolgafspraak wordt gemaakt.
20. Het beroep is ongegrond.
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is uitgesproken op 23 februari 2022 door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De uitspraak wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoten
1.Besluit genomen naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 20 maart 2021 in de zaak UTR 21/2719.
2.Op grond van artikel 27, eerste lid, onder b en d van de Wpg.