Op 6 februari 2019 heeft verdachte in Amersfoort het slachtoffer met opzet van een steile trap geduwd, waardoor het slachtoffer ernstig lichamelijk letsel opliep, waaronder een ontwrichting van het enkelgewricht en een gebroken bovenarm. Getuigenverklaringen, waaronder die van een ooggetuige en het slachtoffer zelf, ondersteunden deze feiten. Medische rapporten bevestigden de ernst en blijvende aard van het letsel.
De rechtbank heeft de tenlastelegging primair bewezen verklaard en de verdachte strafbaar gesteld voor zware mishandeling. De verdediging voerde aan dat verdachte niet met opzet handelde en dat getuigenverklaringen niet betrouwbaar waren, maar deze verweren werden verworpen. De rechtbank achtte de verklaring van de getuige consistent en aannemelijk.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het letsel, de omstandigheden van het feit, en de persoonlijke situatie van verdachte, waaronder het feit dat hij niet langer bij justitie werkzaam is. Ook werd meegewogen dat de redelijke termijn voor het vonnis met tien maanden was overschreden. De rechtbank legde een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 180 uur op.
De benadeelde partij vorderde materiële, immateriële schade en proceskosten. De rechtbank wees materiële schade toe van €248,16 en immateriële schade van €5.000,00, met wettelijke rente. De overige schadevorderingen werden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met een betalingsverplichting aan de Staat, die bij niet-betaling kan worden omgezet in gijzeling.
De verdachte werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten van €622. De rechtbank concludeerde dat de straf en schadevergoeding passend zijn gezien de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer.