Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
primair);
subsidiair).
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel,
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BESLAG
10.BENADEELDE PARTIJ
€ 12.372,76 aan materiële schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde.
11.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht en
- 3 en 11 van de Opiumwet;
12.BESLISSING
gevangenisstraf van 5 maanden;
een gedeelte van 3 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
proeftijd van drie (3) jarenvast;
- 40 EUR (Omschrijving: IBG 28-05-2019);
- 110 EUR (Omschrijving: IBG 28-05-2019);
- 2100 EUR (Omschrijving: IBG 29-05-2019);
- 1900 EUR (Omschrijving: IBG 29-05-2019);
- 1160 EUR (Omschrijving: IBG 29-05-2019);
- 980 EUR (Omschrijving: IBG 29-05-2019);
- 860 EUR (Omschrijving: IBG 29-05-2019).