ECLI:NL:RBMNE:2022:6455
Rechtbank Midden-Nederland
- Raadkamer
- C.A.M. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot schadevergoeding na niet-opleggen straf wegens onvoldoende bewijs hennepkwekerij
Verzoeker werd op 16 januari 2020 aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van betrokkenheid bij een hennepkwekerij. Hij hielp een vriend met het leegruimen van diens huurwoning waarin resten van hennep werden aangetroffen. Op 29 maart 2022 werd de strafzaak geseponeerd wegens onvoldoende bewijs.
Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 533 Sv Pro tot vergoeding van de schade die hij door de inverzekeringstelling had geleden. De officier van justitie stelde dat het niet billijk was om vergoeding toe te kennen omdat verzoeker zijn voorarrest aan eigen gedrag te wijten had. De raadsvrouw vond wel gronden van billijkheid aanwezig.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker bewust betrokken was bij het leegruimen van de woning met kennis van de hennepafvalresten, waardoor de inverzekeringstelling gerechtvaardigd was. De seponering wegens onvoldoende bewijs veranderde hier niets aan. Daarom werden geen gronden van billijkheid gezien om vergoeding toe te kennen en werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens het aan verzoeker te wijten gedrag tijdens inverzekeringstelling.