Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:6302

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2022
Publicatiedatum
14 maart 2023
Zaaknummer
525293 FL RK 21-1039
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 onder a EG-verordening nr. 2201/2003Art. 815 lid 5 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 815 lid 6 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk wegens ontbreken bewijs huwelijk

De man verzocht de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken van zijn huwelijk met de vrouw, dat volgens hem in 2013 in Eritrea is voltrokken. De man heeft de Nederlandse nationaliteit, de vrouw heeft de Eritrese nationaliteit. In de Basisregistratie Personen staat geregistreerd dat de man een kind heeft uit deze relatie.

De rechtbank ontving het verzoekschrift en aanvullende stukken, maar de man overlegde geen afschrift of uittreksel van de huwelijksakte zoals vereist volgens artikel 815 lid 5 Rv Pro. Tijdens de mondelinge behandeling was de man niet aanwezig en gaf hij geen nadere toelichting. De vrouw was niet op de zitting verschenen, ondanks oproeping via Staatscourant.

De rechtbank constateerde dat het enkele feit dat het huwelijk in de Basisregistratie Personen is ingeschreven onvoldoende bewijs vormt voor het bestaan van het huwelijk. Ook uit eerdere verklaringen bij de IND bleek dat de man de huwelijksakte niet kon overleggen en dat er geen verklaring onder ede was overgelegd. Hierdoor was onvoldoende bewijs voor het bestaan van het huwelijk aanwezig.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot echtscheiding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van bewijs van het huwelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/525293 / FL RK 21-1039
Echtscheiding
Beschikking van 20 mei 2022
in de zaak van:
[de man] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. D.G. Nagel,
tegen
[de vrouw] ,
In de Basisregistratie personen geregistreerd als
[de vrouw] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: de vrouw.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de man, binnengekomen op 14 juli 2021;
  • het F9-formulier van 3 augustus 2021 met het betekeningsexploot en een kopie van het rapport eerste gehoor IND.
1.2.
Binnen de daarvoor gestelde termijn heeft de vrouw geen verweer gevoerd.
1.3.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 25 februari 2022. Daarbij was aanwezig de advocaat van de man. Hoewel behoorlijk opgeroepen is de man niet verschenen.
1.4.
De vrouw is opgeroepen voor de zitting via een advertentie in de Staatscourant op
22 december 2021. De vrouw is niet op de zitting verschenen.

2.Waar gaat het over?

2.1.
De man stelt op [huwelijksdag] 2013 met de vrouw te zijn gehuwd in [plaats] (Eritrea).
2.2.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De man stelt dat de vrouw de Eritrese nationaliteit heeft.
2.3.
In de Basisregistratie personen (BRP) staat geregistreerd dat de man één kind heeft:
[kind], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
2.4.
De man verzoekt de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
2.5.
De man heeft geen afschrift of een uittreksel van de huwelijksakte overgelegd.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot echtscheiding. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Bevoegdheid
3.2.
De gewone verblijfplaats van de man is in Nederland en de man woont langer dan een jaar in Nederland. Daarom komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om op het verzoek te beslissen. Dat volgt uit artikel 3 lid 1 onder Pro a van de EG-verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-bis).
Ontvankelijkheid
3.3.
De man heeft geen origineel afschrift of uittreksel van de huwelijksakte overgelegd, als voorgeschreven in artikel 815 lid Pro 5, aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op grond van artikel 815 lid 6 Rv Pro kan worden volstaan met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien.
3.4.
Uit het eerste gehoor bij de IND van 1 juli 2014 blijkt dat de man bij de IND heeft verklaard dat hij in [huwelijksdag] 2013 is getrouwd en dat er sprake was van een kerkelijk huwelijk. Hij heeft de trouwakte achtergelaten en zal proberen om die op te laten sturen zodra hij telefonisch verbinding krijgt.
De advocaat van de man heeft op de zitting verklaard dat hij de man heeft gevraagd naar de huwelijksakte, maar dat de man die niet kon overleggen. Ook is onduidelijk gebleven op welke gronden het huwelijk is geregistreerd in de BRP. Er is in ieder geval geen verklaring onder ede overgelegd, op basis waarvan de registratie bij de BRP mogelijk heeft plaatsgevonden. Ook is de man niet ter zitting verschenen en heeft de man dus op vragen van de rechtbank over het bestaan van het huwelijk geen antwoord kunnen geven. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank onvoldoende bewijs of andere redenen om het bestaan van het huwelijk aan te nemen. De rechtbank zal daarom de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot echtscheiding.

4.De beslissing

De rechtbank verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot echtscheiding.
Dit is de beslissing van (kinder)rechter mr. R.R. Everaars-Katerberg, tot stand gekomen in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2022.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.