ECLI:NL:RBMNE:2022:627
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een tussenwoning gelegen aan een adres in een plaats, vastgesteld op €388.000,- voor het belastingjaar 2020 met waardepeildatum 1 januari 2019. Eiser betwist de waarde en vordert een lagere waardering. Verweerder handhaaft de vastgestelde waarde en heeft ter onderbouwing een taxatiematrix overgelegd waarin de woning is vergeleken met drie referentiewoningen uit dezelfde bouwperiode en omgeving, met verkoopprijzen tussen €525.000,- en €560.000,-.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De taxatiematrix toont aan dat de prijs per vierkante meter van de woning aanzienlijk lager ligt dan die van de referentiewoningen, ondanks vergelijkbare bouwkundige kwaliteit en voorzieningen. Eiser heeft gevraagd om marktgegevens en analyse daarvan, maar na overleggen van de taxatiematrix en toelichting door verweerder heeft eiser niet meer gereageerd, zodat de rechtbank aanneemt dat aan dit verzoek is voldaan.
Gelet op de onderbouwing en het ontbreken van nadere reactie van eiser verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.R. van Es-de Vries en griffier C.L. Fix op 22 februari 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €388.000,- wordt ongegrond verklaard.