Verzoeker trad op 1 juni 2022 in dienst bij verweerder met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 9 augustus 2022 werd hij op staande voet ontslagen wegens vermeend privégebruik van werktijd en onbevoegde biedingen op woningen. Verzoeker betwistte het ontslag en stelde dat geen dringende reden bestond.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet onterecht was omdat de opgegeven redenen geen dringende reden vormden en verweerder niet had voldaan aan haar informatieplicht. Het ontslag werd vernietigd en loondoorbetaling vanaf 9 augustus 2022 toegewezen op basis van het overeengekomen bruto maandloon van € 5.000.
Verweerder verzocht subsidiair ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). De kantonrechter stelde vast dat het vertrouwen tussen partijen volledig was verdwenen en ontbond de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2023.
Verzoeker kreeg daarnaast een transitievergoeding van € 1.205 en een billijke vergoeding van € 10.000 toegekend wegens het ernstig verwijtbaar handelen van verweerder, die het ontslag handhaafde en onterechte beschuldigingen uitte. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhogingen, rente, proceskosten en een vergoeding voor gemaakte advocaatkosten.