4.5.De rechtbank heeft op 13 juli 2021 – op grond van onderzoek van de Raad en met instemming van beide ouders – een ondertoezichtstelling uitgesproken.
De Raad heeft in haar onderzoek onder meer geconstateerd dat [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in de echtsscheidingssituatie onderdeel zijn geworden van / worden ingezet in de strijd tussen ouders en langdurig worden belast met volwassenproblematiek, waardoor zij ernstig in hun loyaliteit worden belast. De ouders verschillen van mening over de oorzaak van deze situatie, hun eigen aandeel daarin, de oplossingen en aanpak en de vorm van hulpverlening die nodig is. Het gezin heeft, in aanloop naar, tijdens en na de scheiding en in het verloop van de hulpverlening veel meegemaakt. Beide ouders zijn lijnrecht tegenover elkaar komen te staan doordat zij beiden ernstige kwetsuren hebben ervaren door de andere ouder. Hierdoor is hun visie op de andere ouder negatiefgekleurd en het wantrouwen in elkaar fors gegroeid. Beide ouders uiten forse zorgen over de opvoedingsomgeving / opvoedersvaardigheden van de andere ouder. Dit vormt, bij het gebrek aan communicatie onderling, bovenop de reeds complexe situatie een extra belemmering in de weg naar een oplossing. De hulpverlening in het vrijwillig kader is samen met de ouders in een dynamiek terecht gekomen waarin de onderlinge verhoudingen nog verder op scherp zijn komen te staan. Hierdoor is een toenemende polarisatie ontstaan, waarbij de moeder geen mogelijkheden tot samenwerken met de vrijwillige hulpverleningsinstantie ervaart en de hulp heeft stopgezet.
De Raad heeft zorgen om het gedrag van alle drie de kinderen bij de vader. Zij stellen zich grenzeloos en gezagsondermijnend op bij vader. Zij accepteren hem niet als ouder en wijzen hem af. Deze situatie wordt afgewisseld met periodes waarin zij vaders gezag wel accepteren, zich veilig en thuis bij hem voelen en er een warme ouder-kind relatie te zien is.
Dit geeft de ambivalentie van de kinderen aan in deze situatie van belaste loyaliteit.
Bij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn er aandachtspunten op sociaal-emotioneel en cognitief gebied; bij [minderjarige 1] is er naast externaliserend gedrag door het gezag van de vader niet te accepteren, ook internaliserende problematiek. Enerzijds is zij uitgesproken negatief over haar vader, anderzijds laat zij grote behoefte aan affectie en nabijheid zien jegens vader en is hun band met momenten sterk en liefdevol. Er zijn bij [minderjarige 1] verder kenmerken van parentificatie: er zijn signalen dat zij zich genoodzaakt ziet om de visie en gevoelens van de andere ouder over te nemen en haar gedrag aan te passen aan de ouder bij wie ze op dat moment verblijft. Ze uit bij moeder enkel verdriet, angst en afwijzing jegens vader, wat zij bij vader wisselend laat zien. Ze voelt zich verantwoordelijk voor het welzijn van haar zusjes bij vader en ze laat zien dat ze last heeft van de ingrijpende levensgebeurtenissen die er zijn geweest in het gezin. Daarbij hebben vader en [minderjarige 1] een tegengestelde manier van communiceren, waardoor zij elkaar vaak niet begrijpen.
De Raad heeft geconstateerd dat het nodig is dat:
- [minderjarige 1] individuele begeleiding krijgt om haar ervaringen te verwerken en haar eigen menig en gevoelens helder te krijgen;
- [minderjarige 1] en vader begeleiding krijgen in het herstellen van hun ouder-kindrelatie;
- [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een laagdrempelig traject spelenderwijs hun ervaringen verwerken en gesterkt worden in het opgroeien in deze situatie;
- moeder opvoedondersteuning krijgt in het afschermen van haar eigen ervaring en beleving van het verleden en de persoon van vader en hoe ze richting de kinderen kan uitstralen dat vader een positief onderdeel uitmaakt van hun leven;
- moeder ondersteuning krijgt in het verwerken van haar ervaringen waardoor haar wantrouwen en angst voor de veiligheid van de kinderen bij vader een minder grote rol gaat spelen;
- vader opvoedondersteuning krijgt in het herpakken van zijn gezagspositie en zich weer als gelijkwaardig ouder gaat positioneren;
- vader ondersteuning krijgt in het verwerken van zijn ervaringen waardoor zijn angst voor het verliezen van de kinderen en zijn wantrouwen jegens moeder een minder grote rol gaat spelen;
- beide ouders begeleiding krijgen in het verbeteren van hun communicatie en het vergroten van het begrip voor de ervaringen en positie van de andere ouder.