De zaak betreft een geschil tussen [eiseres] B.V. en [gedaagde] Ltd. over onbetaalde facturen en de vraag of een vaststellingsovereenkomst is gesloten. [gedaagde] Ltd. verrichtte advieswerkzaamheden voor [eiseres] B.V. tot november 2021. Na beëindiging van de overeenkomst weigerde [eiseres] B.V. betaling van facturen over mei tot november 2021, stellende dat deze onjuist waren.
[gedaagde] Ltd. stelde dat geen vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen en legde conservatoir derdenbeslag onder ABN AMRO Bank. [eiseres] B.V. vorderde opheffing van dit beslag, stellende dat de vordering ondeugdelijk is en het beslag de bedrijfscontinuïteit bedreigt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat [eiseres] B.V. niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering ondeugdelijk is, mede omdat de vaststellingsovereenkomst betwist wordt en er aanwijzingen zijn dat deze onder voorbehoud van goedkeuring van de advocaat van [gedaagde] Ltd. stond. De belangenafweging wees uit dat het belang van [gedaagde] Ltd. bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [eiseres] B.V. bij opheffing, mede omdat de continuïteit van de bedrijfsvoering niet acuut in gevaar is en [eiseres] B.V. geen vervangende zekerheid kan stellen.
De vordering tot opheffing van het beslag werd daarom afgewezen en [eiseres] B.V. werd veroordeeld in de proceskosten.